Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken wij zijn leven met het onze, van ons die zondaren zijn. Wat nemen wij in ons zeiven waar zoodra wij tot zelfbewustzijn ontwaken ? Is liet leidend beginsel van ons leven niet de begeerlijkheid, de begeerlijkheid, welke ook hare voorwerpen zijn, lust of eer of macht? Maar daarnevens ervaren wij, want anders zouden wij de begeerlijkheid niet als begeerlijkheid kennen, dat een stem in ons, aan wier recht wij niet twijfelen, ons tegen de begeerlijkheid waarschuwt, ja, daarvan beschuldigt, ons verwittigt dat zij niet uit God is, en dat wij voor God zijn. Die stem is het geweten, het geweten dat ons geen rust laat, ons door zijne waarschuwingen en beschuldigingen allen vrede beneemt, ons in onzen inwendigen tweespalt naar verzoening doet smachten.

Zoo zijn wij: de begeerlijkheid gebonden door het geweten, en het geweten gebonden door de begeerlijkheid. Dat is onze toestand;

zeg of het niet zoo is. Onvrij, niet vrij in de zonde; onvrij, onmachtig ten goede; ons zeiven een raadsel; zonder kracht, zonder vreugd noch deugd noch hoop, d. i. toch eigenlijk zonder God in de wereld.

Welk beeld nu schetst ons het evangelie van Jezus, den Christus? Raadplegen wij zijne woorden, te beginnen met die welke ons van zijne jeugd verhaald zijn, tot die van den lijdensnacht, van den dag zijns doods, het hoogepriesterlijk gebed, de kruiswoorden. In de woorden toch openbaart zich de ziel, meer onmiddellijk nog dan in de werken. Wat vinden we in die woorden ? Lenig spoor van zwakheid of van berouw? Eenig blijk van de heerschappij der begeerlijkheid of van een beschuldigend geweten? O voorzeker, van al het lijden, van al het strijden dat in s menschen hart kan huizen, zijn die woorden de uitdrukking. Van het leven des Heeren begrijpen dezulken niets, ja, zij moeten zich verwonderen dat de Heer drie en dertig jaren geleefd heeft en niet maar alleen gekomen is om te sterven, dezulken, zeg ik, die in dat leven slechts de onveranderlijkheid der goddelijke natuur zoeken. De onveranderlijkheid der goddelijke natuur openbaart en handhaaft zich te midden van al de onrust en de wisseling van inwendige toestanden, die der menschelijke natuur eigen

Sluiten