Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De behoeften des levens zijn betrekkelijk; in duizend schakeeringen gaan de standen der maatschappij in elkander over, en iedere stand heeft zijne eigenaardige eischen en behoeften. Welnu, zijn het de armen alleen in den gebruikelijken zin des woords, alleen degenen die aalmoezen vragen, zijn zij het alleen die in tijdelijke belangen verzonken de hoogere uit het oog verliezen? Zijn er ook niet onder u, die in den dagelijkschen arbeid uwer handen uw dagelijksch brood toereikend of overvloedig vindt, ja onder u, die op grooter of kleiner schaal door nijverheid of handel niet alleen u zeiven huizen bouwt maar ook welvaart om u heen verspreidt, zijn er niet onder alle rangen en standen van menschen velen die voor zich zeiven en voor hunne kinderen geen hooger doel kennen dan maatschappelijken voorspoed, geen hooger zegen dan overvloed en rijkdom ? Zult gij zeggen: dat zijn wij niet, onze opkomst in het tempelgebouw getuigt van hooger streven, van edeler doel? Maar was dan ook die arme kreupele te Jeruzalem niet gezeten aan de deur des tempels? Waarom had hij juist die plaats uitgekozen, indien het niet was omdat hij de aardsche gaven waarom hij smeekende bad, al was het dan ook door bemiddeling van menschen toch verwachtte van den levenden God, den God Israels ? En is het zoo niet met velen ? Een duister besef dat alle gaven van God komen drijft hen naar den tempel; maar dat zij nog wat anders, nog meer noodig hebben dan tijdelijke gaven, dan zegen op hun arbeid, op hunne ondernemingen, welvaart in huis en maatschappij, ziet, dat stond hun wellicht voor den geest, toen zij in hun jeugd zich schikten tot tempelbezoek, toen zij belijdenis des geloofs aflegden, toen zij in de maatschappij tot gevestigden staat gekomen godsdienstigheid beschouwden als eene voorwaarde van zedelijkheid. Maar is deze algemeene en uitwendige godsdienstigheid, is zij hun, is zij u niet tot gewoonte geworden? Men gaat ter kerke, ja; men zit niet aan den maaltijd zonder Gods zegen te hebben gevraagd over zijne gaven; men leest den bijbel wellicht in den huiselijken kring; maar is uw hart vervuld met het tijdelijke, kent gij geen hooger

Sluiten