Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zullen ingaan bad bij dat hij eene aalmoes mocht ontvangen.

Zal hij gehoor vinden? Zal hij een aalmoes van hen ontvangen ?

Er was een tijd, dat zij zulk eene vraag lastig zouden hebben gevonden en storend voor hunne stemming. Waren zij het toch niet geweest, die het aan sommige moeders euvel hadden geduid dat zij den Meester, toen woorden des eeuwigen levens van zijne lippen stroomden, om een zegen waren komen vragen voor hare kinderen? En toen zij voor de radelooze Kananeesche vrouw den Meester om hulp hadden gevraagd, was het alleen geweest om de weinig liefderijke reden uitgedrukt in de woorden: Laat haar van u, want zij loopt ons na. En toen was de Meester toch nog in de gestaltenis eens dienstknechts en van zijn eigen lijden waren zij getuigen. Nu, daar hij verheerlijkt is en zij weten dat hem alle macht gegeven is in hemel en op aarde, nu hebben zij zijn oog voor het lijden der menschheid. Nu gaan zij niet meer onverschillig voorbij, nu bestraffen zij den lastigen vrager niet meer, nu staan zij stil op hunnen weg om hem aan te zien. Petrus, lezen wij, sterk op hem ziende, met Johannes zeide: Zie op ons.

Sterk op hem ziende. Hoe, zouden wij zeggen, is dat noodig voor hetgeen hij vraagt? Hij vraagt immers een aalmoes. Willen zij hem iets geven, waartoe die doorborende blik? Waarom niet de hand in den boezem gestoken en eene gave gereikt aan den armen vrager en dan den tempel ingegaan? Ach, zij hebben geene handreiking te doen in dien zin. Zij behooren tot degenen, die daar moeten zeggen op zoo vele beden die tot hen komen, — en ergens is de grens waarop een ieder het moet zeggen, want de nood is oneindig: — Goud en zilver hel) ik niet.

Goud en zilver heb ik niet. Behoort gij ook onder dezulken die dit moeten zeggen? Ik vraag u niet: is dit uw eerste antwoord, het antwoord dat u gereedelijk van de lippen komt bij iedere vraag, die zich aan u voordoet? Ik zon u dan eer het woord moeten herinneren, dat de Heer eenmaal aan zijne discipelen gaf, toen zij zeiden dat zij niet hadden om aan de menigte te eten te

Sluiten