Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle krankheden, en ten tweede de steeds toenemende toegankelijkheid dier geneesmiddelen voor allen door middel van geneeskundige inrichtingen en instellingen van liefdadigheid. Of zullen wij, omdat er heden ten dage eene zoo groote klove bestaat tusschen geloof en wetenschap, den band die tusschen beide bestaat miskennen en wanhopen om dien te herstellen? Indien staathuishoudkunde en natuurkunde \ 1 lichten zijn van den door het Christendom ontbondenen en geheiligden menschelijken geest, het ware kleingeloof om die alleszins betreurenswaardige klove anders te beschouwen dan als van voorbijgaanden aard, anders te verklaren dan uit tijdelijk aanwezige oorzaken, niet het minst uit de ontrouw der kerk zelve. Maar zoo kan het niet blijven. Het kan niet zoo blijven, dat het geloof zich immer schuw afwende van de eischen der tegenwoordige maatschappij, de vruchten der door haar gekweekte wetenschap hooghartig verwerpe en zijn werkkring bepale tot een klein getal van ingewijden of wel ten einde in den hoogsten nood, den nood der ziel, te voorzien tot het soms onverstandig verbreiden van zijne eigene stellingen, alsof de deernis met dien hoogsten nood ons hait mocht sluiten voor zoo vele andere, maatschappelijke ellenden, en alsof de weg om tot het eerste te komen niet veelszins gelegen ware in het tweede. Medelijden toch voor tijdelijke ellenden doet gelooven aan medelijden voor de hoogste. Het kan niet zoo blijven, dat wederkeerig de wetenschap, zich door het geloof veracht ziende, dit op hare beurt veracht en, ziende dat op den weg van godsdienst geen hulp gevonden wordt voor de veelsoortige menschelijke ellenden, thans in den ijdelen waan verkeert dat zij die hulp kan verleenen. Neen, zoo kan het niet blijven; en, mij dunkt, reeds worden de voorteekenen gezien dat de breuke zal geheeld worden, voorteekenen namelijk bestaande in het gevoel van onvoldaanheid en ongenoegzaamheid dat aan beide zijden gelijkelijk ontwaakt. Of waar de wetenschap het gebied der theorie verlaat en zich ten dienste stelt der lijdende menschheid, ontwaart zij daar niet al zeer spoedig dat in den lijdenden mensch andere behoeften aanwezig zijn dan die welke zij weet te bevredigen?

Sluiten