Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij kreupel was! Hoe zwaar valt het hem nu hij gezond is!

Zoo verkeert de zegen in vloek voor hen die de Alzegenaar niet kennen, die in de gave den Gever niet ontvangen, die niet in den naam van Jezus Christus den Nazarener genezen zijn. Zal ik meer voorbeelden opnoemen ? Ik sprak van de hulp door kerk en maatschappij verleend tot wering der armoede. Wat rust geeft het de ziele, wat vreugde in het leven, zijn dagelijksch brood te eten en het brood des levens, waardoor de ziel gespijzigd wordt ten eeuwigen leven, te missen? En is niet de nimmer opdrogende bron van armoede de zonde? Ja, dan is ook het dagelijksch brood, ook overvloed niet toereikend: men verlangt immer meer, immer meer. Ik sprak van de hulp der wetenschap tot wering en overwinning van krankheid. Maar is wel volkomene genezing van lichamelijke krankheid mogelijk zonder rust der ziele, en ook waar zij het is wat baat zij?

De naam van Jezus Christus den Nazarener, dat is de gave, de hoogste, de blijvende, de eeuwige gave, waaraan tijdelijke gaven hare waarde ontleenen, maar die ook zonder deze bestaat. De genezene van onzen tekst betreedt den tempel met dank en lof. De God Israels is hem de levende God geworden, hij heeft Hem leeren kennen in den naam van Jezus Christus; en nu is hij de ware tempelwachter: hij is niet meer op den drempel gezeten, hij treedt in het binnenste heiligdom en aanschouwt zijne eeuwige verlossingen. Hij ontvangt niet meer de tempelgave, hij zelf brengt ze in den tempel. Hij is mede tot priester en koning gesteld met die arme Galileërs, die geen goud of zilver hadden, en met hen kan hij aan anderen zeggen: Wat ik heb dat geef ik u. De tempel met handen gemaakt wordt mede door hem tot een tempel des levenden Gods. Dat is de vrucht van eene genezing volbracht in den naam van Jezus Christus.

Groot is het alzoo optestaan van het krankbed en optegaan in den tempel om God te loven. Maar nog grooter is het, niet optestaan van het krankbed en toch God te loven; grooter, de stervensure te verbeiden met den lof Gods in hart en mond;

II 22

Sluiten