Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om te werken, om voor God te werken, niet vereerend vindt? Wie zou er zijn roem niet in stellen? Wie zou zich gerechtigd achten om op die roeping te antwoorden: ik wil niet gaan; en den hem voorgestelden arbeid als een slavenarbeid verachtelijk van de hand te wijzen? Hoort men niet integendeel dikwerf de menschen betuigen: o ja, voor God wil ik alles doen, aan God wil ik mij onderwerpen, voor God mij zelfs opofferen ? terwijl zij er dan zacht of luide bijvoegen: maar niet aan den mensch, niet voor den mensch. Het is geene huichelarij die hen aldus doet spreken. O neen, zij spreken alzoo ter goeder trouw, omdat zij den aard der goddelijke roeping en het wezen van den arbeid voor God miskennen. De wijngaard des Heeren, de wijngaard des Heeren! liefelijk klinkt dit woord, schoon moet de wijngaard des Heeren zijn. Zijt gij met de schrifttaal eenigszins vertrouwd, dan weet gij welke schoone natuur wijngaard en vijgenboom vertegenwoordigen, van welke heerlijkheden zij de zinnebeelden zijn. De wijngaard des Heeren .... is het niet zijn erfdeel, zijn volk, zijn koninkrijk, het koninkrijk der hemelen, de hemel zijner tegenwoordigheid? Wie zou niet gaarne tot dat erfdeel behooren, behooren tot Gods volk, deel hebben aan zijn koninkrijk? Voorzeker, maar letten wij er wel op dat de Heer des wijngaards geen gasten maar arbeiders in zijn wijngaard roept, arbeiders die wel is waar ook gasten zullen zijn, die van de vrucht des wijngaards zullen drinken, om bij het beeld van onzen tektst te blijven, in het koninkrijk des Vaders, maar die voor alles als arbeiders worden gehuurd, d. i. die den wijngaard zullen moeten planten, kweeken, verzorgen, verdedigen.

Met den hemelschen wijngaardenier en onder zijn opzicht hebben zij een werk te verrichten in zijnen wijngaard, een werk waarvan de uitgestrektheid, de moeilijkheid en de duur in evenredigheid zijn met de uitnemendheid der te verwachten vruchten.

Tot een arbeid alzoo in den wijngaard worden wij geroepen. Doch wanneer ik daarvan spreek, dan hoor ik mij toeroepen dat wij toch immers niet in de eerste plaats tot arbeiden geroepen

Sluiten