Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Gij kent de geschiedenis der Samaritaansche. Men kan dit verhaal niet lezen zonder getroffen te worden door het frissche en verhevene in het overigens ontluisterde beeld dezer vrouw. Zij is voorzeker eene dier zielen, die te midden van het slijk der wereld nog eenigen zielsadel, nog eenige aangeborene edelmoedigheid, eenige herinneringen, eenige verwachting van groote dingen, eenig verlangen naar de toekomst hebben bewaard, en daardoor eenige levendigheid en eenige veerkracht. Ziet hoe hare ziel ontluikt onder den adem van het woord, tot haar gesproken door dien vreemdeling, die haar om water vraagt; ziet hoe zij niet alleen bereid is om hem dezen dienst te bewijzen, maar ook om met hem in gesprek te treden over onderwerpen die ver verwijderd zijn van de sfeer des dagelijkschen levens. Nauwelijks heeft zij dezen vreemdeling opgemerkt, dien joodschen man aan de fontein gezeten waar hij van eene lange vermoeienis scheen uit te rusten, nauwelijks heeft zij zijne vraag vernomen: „geef mij te drinken,'" of zij is niet alleen bereid om water voor hem te putten en het hem te geven, maar zij kan ook hare verwondering en hare vreugde niet verbergen, dat een joodsche man hare diensten verlangt, van haar, eene Samaritaansche, van haar, die in zijne oogen eene kettersche vrouw moest zijn, d. w. z. erger dan eene ongeloovige: „Hoe begeert gij, die een Jood zijt, van mijtte drinken die eene Samaritaansche vrouw ben ?"* Want de Joden houden geene gemeenschap met de Samaritanen. Zij hadden.meer gemeenschap met de heidenen, want de heidenen warenj buiten Gods verbond, maar de Samaritanen, onder den schijn van het aan te nemen, vervalschten het, hetgeen (gelijk zij niet zonder grond meenden) gevaarlijker is. Welnu, deze Samaritaansche vrouw even als alle hare landgenooten gewend aan de verachting en den smaad der Joden; niet alleen dat zij zich hierover niet wreekt op dezen Jood, zij weet niet door welk toeval in hare nabijheid n. 25

Sluiten