Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eindigt met den dood der strijdenden aan beide zijden. Dat is de strijd der zelfzucht. Ach, behoef ik het u te zeggen hoe de menschen gewapend staan tegen elkander, ik zeg niet gewapend als volk tegen volk, maar, in liet genot van alle maatschappelijke welvaart en rust, gewapend de een tegen den ander; gewapend met wantrouwen als borstharnas, gewapend met list als tweesnijdenden dolk, gewapend met achterdocht en veinzerij als gesloten helm? Wie is er die over zijnen naaste, zijnen vriend altijd zoo spreekt dat hij het liooren kan ? En indien hij het niet doet, Avat is dan zijn omgang met hem anders dan een geheime strijd? Deze strijd nu, uit zelfzucht geboren en waarvan het doel is eigen eer, eigen genot, eigen voordeel, deze strijd is vreemd aan de wijsheid die van boven is. Zij leert al die wapenen afleggen, wegwerpen. In dit opzicht is zij, de gewapende, naakt. Zij valt niet aan en verdedigt zich niet. Zij spreekt van vrede en zoekt vrede te stichten. Het groote einddoel waarop zij de oogen heeft gevestigd, verhindert haar een lager doel te willen bereiken en daarvoor te strijden. Zij vindt dien strijd harer onwaardig. En niet mede strijdende in den strijd dezer wereld is zij vreedzaam.

Bescheiden: geene hooge eischen stellende aan het leven, aan de menschen. Die toch zelf bevredigd is heeft niet veel te eischen. Die de wereld lief heeft verwacht veel van de wereld, veel van de menschen. Onwillekeurig stelt hij zich hen voor als eigenlijk voor hem bestaande: zij moeten zijn geluk maken. Yindt hij zich teleurgesteld zooals dit altijd geschiedt, dan wijt hij het aan de menschen die niet beantwoord hebben aan zijne onbillijke eischen en te hoog gespannen verwachtingen. Hij wordt verdrietig en verbergt alleen onder uitwendige vormen, zoo hij die heeft, zijn verholen wrok. Maar die zijn schat elders heeft dan in deze wereld leert de menschen verdragen. Hij weet dat men van doornen geene druiven, van distelen geene vijgen kan lezen, dat deze aarde, die met doornen en distelen bezaaid is, geen paradijs is noch zijn kan. AVaar er druiven en vijgen te lezen zijn zal hij het doen met dankzegging, maar die boven bidden en denken

Sluiten