Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der hemelen. Als de mensch onmachtig is en krachteloos, dan is God krachtig in hem; als naar den mensch alles verloren is, dan begint het heil Gods te dagen.

Deze tegenstelling van machteloosheid en kracht is bij den christen gemoedservaring. In het O. Verbond is zij meer optemerken, zoo niet uitsluitend dan toch hoofdzakelijk, in de uitwendige levensomstandigheden van het volk Gods. De christen is voor zich alleen eene wereld, waarin zich al de wetten van het koninkrijk der hemelen afspiegelen; de Israëliet behoorde tot dat koninkrijk door zijne nationale afstamming. Als het volk des Heeren door de heidenen vertreden wordt dan daagt de redding, en die redding is eene nationale; de arm des Heeren strekt zich uit en verheft Israël in aanzien en macht. In het huis der dienstbaarheid in Egypte ging het gekerm en geroep op om den harden dienst., en reeds is God nedergedaald in Midians velden en de verlosser Israels is geroepen. Verre van Jeruzalem is het volk des Heeren verstrooid over Babylons vlakten en Perzië's bergen, en reeds is de engel des Heeren, de held Gods, verschenen aan den koninklijken ziener te Susan, om hem de naderende verlossing te verkondigen.

In Maria, de maagd van Nazareth, de koningsdochter, vereenigt zich de ervaring van O. en N. Verbond beide. Zij staat op den drempel tusschen beide en vormt den overgang van het Oude in het Nieuwe. In hare zwakheid is God machtig, maar hare zwakheid is die baars volks, van dat Israël Gods dat in haar verheven wordt tot de grootste eere. Ja, wat haar boven allen in staat stelt om die hooge eere te ontvangen is dit, dat zij die zwakheid baars volks persoonlijk ervaart en gevoelt, dat de smaadheid van Israël hare smaadheid is. Wij willen haar in dit licht beschouwen en in hetgeen ons in ons tekstverhaal van haar vermeld wordt aantoonen hoe God de Heer eene afgesneden zaak doet en machtig is in de zwakheid der zijnen. Wij letten daartoe: I. op het bezoek dat zij ontvangt (26—28);

II. op de stemming waarin zij het ontvangt (29);

III. op de belofte die haar wordt gedaan (30—33);

Sluiten