Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Wie daar vergaderd waren ? Het is ons hier niet om namen te doen. Gij kent ze trouwens genoeg, die trouwe elven. Die elven: zij waren vroeger twaalf geweest. Eén was heengegaan naar zijne plaats, die hunne plaats niet was. Gij kent de vrouwen die met hen waren. Ja, ook anderen waren daar, tot honderd-en-twintig toe.

Deze allen nu, waren zij zoozeer geestverwanten dat zij het zeldzaam voorbeeld gaven van eene blijvende vereeniging op natuurlijke overeenstemming gegrond? Zij waren toch nog al verschillend: verschillend van karakter, van gaven, van stand en lotsbedeeling. Om met liet laatste te beginnen: daar waren er die uit de school van Johannes den Dooper, eene strenge ascetenschool, waren gekomen; daar was er een die in het tolhuis had gezeten, en gij weet wat dat zegt een tollenaar te zijn. Daar waren er uit Bethsaïda, daar waren er uit Kana en Kapernaum, en uit Nazareth; en bij die Galileërs waren er ook uit Judea. De meesten droegen israelitische namen, één een griekschen. Doch dit alles is uitwendig, en ligt kan de fantazie hier nog meer verschillen denken. Alleenlijk volgt uit deze verschillen dat geene gemeenschappelijke afkomst en waarschijnlijk ook geen uitwendig belang hen samen verbond.

Wat was het dan dat hen samen bracht en dat hunne eendracht verklaart? Was het gelijkheid van verstandelijke gaven of van zedelijk karakter? Wat verstandelijke gaven betreft, wij weten het genoeg, — de genootschappen der geleerden toonen het duidelijk genoeg, — dat verstandelijke ontwikkeling op zich zelve geene eendracht werkt. Daarbij, merken wij reeds in den kleinen kring der Apostelen, voor zoo ver ons die bekend is, zulk een groot verschil op van verstandelijken aanleg en van geestesrichting, hoe veel grooter moet dit verschil niet geweest zijn onder die honderd-en-twintig. En wat het zedelijk karakter betreft, indien men daaronder verstaat natuurlijken aard, aangeboren smaak, de III. 8

Sluiten