Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blik toe: de opvoeding bereike haar doel, het onschuldige kind worde krachtig jongeling, ervaren man, getrouw in huiselijke en maatschappelijke plichten, de eerbare jonkvrouw worde teederhartige echtgenoot en moeder; maar nu vraag ik u: wat is die maatschappij waarvoor zoo veel gedaan, zoo veel gezwoegd en gearbeid is ? Ach, ik beroep mij op uwe ervaring, van u die den rijperen leeftijd zijt ingetreden, die de maatschappij beschouwt niet meer in de idealen der jeugd maar in het licht der werkelijkheid. Zal ik u een zwart tafereel malen van de wangunst der heerschzuchtigen, van de winzucht der bebzuchtigen, van de lichtzinnigheid der genotzuchtigen ? Zal ik u teekenen de hardvochtigheid der rijken, de afmatting der armen? Zal ik u schetsen het ledige der genoegens van betgeen men de beschaafde kringen noemt, het ruwe zingenot der onbeschaafden; de verweekende weelde hier, de brooddronkenheid daar? Ach, in geen ding komt de armoede, de naaktheid, de onbevredigdheid van den mensch meer te voorschijn dan in zijne verstrooiingen. Nooit vertoont hij zich deerniswaardiger dan waar hij zich vermaakt. Tk wil u dus liever op zijne werken wijzen, op zijne plichten. Zijne werken, zijne plichten! Immers, daar zal zich de maatschappij groot, edel, zonder zonde toonen. Welnu: voor een zeer groot, ja, het grootste deel bepaalt zich de maatschappelijke werkzaamheid eenvoudig tot het zoeken van het dagelijksch brood. In die maatschappelijke werkzaamheid zelve is niets wat met het geestelijk leven des menschen en dus met de groote taak der menschelijke maatschappij in verband staat. Voorzeker, eerwaardig is de daglooner die in het geloof heeft leeren bidden: geef mij heden mijn dagelijksch brood, en in dat geloof dat dagelijksch brood ontvangt en geniet. Maar dat geloof heeft betrekking niet op de aardsche maar op de hemelsche maatschappij, niet op de zichtbare maar op de onzichtbare wereld. Ware deze aardsche maatschappij het doel, het einddoel der opvoeding, laat ons vrij twijfelen aan God en aan een voorzienig wereldbestuur, want het grootste gedeelte der menschheid is van de wieg tot het graf tot slavernij gedoemd. En gij dan, gij die

Sluiten