Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des levens, een woord dat liet leven heeft en geeft, het leven 't welk het licht is des menschen. Dat woord dat bij God was en God is, is vleesch geworden; zoo beschrijft hij de geboorte van Jezus den Nazarener. Die geboorte is dus geen ontstaan, geen aanvang van zijn leven. Hij die het leven is kent geen aan\ang, heeft geen begin. Hij is eeuwig als God, want hij behoort tot het wezen Gods: hij is het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid. Zijne menschelijke geboorte is dus niet een begin van zijn leven; zij is eene menschwording, een begin van de openbaring zijns levens: hij is geopenbaard.

Hij is geopenbaard. Maar evenmin als die geboorte een aanvang zijns levens was, evenmin is zij eene aflegging zijns levens. In een nieuwen levensvorm voorzeker gaat hij over; in de wereld komt hij, hij die in den schoot des Vaders was. Hij die bij den Vader was, komt tot ons die van den Vader gescheiden waren, en hij wordt de onze. Maar niettemin blijft hij bij den Vader, breekt de gemeenschap met den Vader, de gemeenschap die zijn leven is, niet af. Hij legt zijn leven niet af, verlaat den hemel niet maar brengt dien mede, houdt niet op — als hij geboien wordt van eene vrouw en komt onder de wet en een man der smarten wordt — het afschijnsel te zijn der heerlijkheid Gods en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid. Anders ware hij zelf niet geopenbaard. Zoo hij een ander ware geworden dan die hij van eeuwigheid is, zouden zij die hem aanschouwd hebben niet kunnen zeggen dat zij het woord des levens aanschouwd hebben: hij zoude niet geopenbaard zijn.

Hij is geopenbaard. Maar, zoo hij geopenbaard is, moet hij het vermogen bezitten om zich te openbaren; de mogelijkheid moet bestaan dat hij mensch wordende daarmede zijne eigenlijke, goddelijke natuur niet verlieze. Dat is: de menschelijke natuur moet der goddelijke natuur verwant zijn, zoodat hij de menschelijke natuur aannemende de goddelijke niet verliest. Anders zou de Zoon Gods geen zoon des menschen hebben kunnen worden, zonder, hetgeen onmogelijk is, op te houden Zoon Gods te zijn.

Sluiten