Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aren zijn geene geestelijkheid die eene onmondige menigte tegenover zich heeft, aan wie zij haar gezag heeft op te leggen. Geenszins. Niet alleen Paulus en Apollos en Cephas behooren der gemeente, ook de wereld: alle natuurlijke gaven, vatbaarheden, eigenaardigheden kunnen door den Geest die in de gemeente is worden geheiligd. En deze altijd op nieuw verrijkte en anderen verrijkende gemeente bloeit altijd, zij leeft en sterft niet. Haar behoort ook het leven, ook de dood. Het leven kan u niets geven en het sterven niets ontnemen van wat gij reeds in Christus hebt. Het uitwendige leven is haar openbaring van het inwendige, ontwikkeling der krachten van het eeuwige leven dat zij in hem heeft; en het sterven is haar de overgang tot de volkomene heerlijkheid. Zoo behooren u, gemeente van Jezus Christus, de tegenwoordige en de toekomende dingen. Alles is het uwe, niet opdat gij het zoudt verachten, verwaarloozen, ter zijde stellen, maar integendeel in eere houden, gebruiken, in het licht stellen. Waar de wereld ignoreert (wij hebben nog geen woord om deze zeer bekende zaak uittedrukken), waar de wereld ignoreert of voor dood verklaart degenen die haar lastig vallen, gij niet, gemeente van Christus, gij hebt met den tact der liefde op te merken, te waardeeren alle verborgene gaven en ze in het licht te stellen. En dan niet de eene te verachten om de andere des te hooger te schatten. Onder Christus het hoofd is er plaats voor een rijke verscheidenheid van gaven; in hem is eene volheid die in die verscheidenheid te voorschijn komt. Niet in een enkel lid maar in het geheele lichaam ontwikkelt zich die volheid. Die nu tot het lichaam behoort als een levend lid, die in Christus is heeft voor die verscheidenheid een oog, een hart. Ilct oog kan niet zeggen tot de hand: ilc heb u niet van noode, of wederom het hoofd tot de voeten: ik heb u niet van noode. Ja veeleer, de leden die ons dunken de zwakste des lichaams te zijn, die zijn noodig. (1 Cor. XII: 21, 22). Maar ook evenmin zal hij zichzelven wegwerpen en zich verlagen door zijn geestelijk leven afhankelijk te stellen van wie ook. Be voet zal niet zeggen: dewijl ik de hand niet ben, zoo ben ik van het lichaam niet;

III. 13

Sluiten