Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld: liet ware mogelijk dat wij het niet eens, niet andermaal, maar met eenige volharding deden. Wij verzaken dan nu onszelven, wij onderdrukken de lusten en begeerlijkheden in hare geboorte, wij vragen niets meer, wij eischen niets meer, wij zijn overtuigd van het onrechtmatige van al die eischen. Wij hebben geenerlei recht, ik zeg niet op de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid, ik zeg niet, op hetgeen wij niet hebben; maar zelfs op hetgeen wij hebben, op het noodzakelijkste, op het brood dat wij eten; wij hebben alles verbeurd. Wat wij genieten is enkel genade, onverdiende gunst; wat ons geweigerd wordt is straf, verdiende straf, straf te licht voor onze overtredingen.

Ik stel het onmogelijke, dat wij namelijk dit alles voetstoots, zonder weerzin noch tegenspraak aannamen. Hebben wij dan de waarheid gevonden, de waarheid die ons vrijmaakt? Waarheid, ja; eenige waarheid. Eenige waarheid over mij zeiven: ik ken mij nu als zondaar. Eenige waarheid over God: ik ken Hein nu als rechter. Mijne begeerlijkheden zijn mijne zonde, en mijne teleurstellingen zijn mijne straf. Is dat alles? Heb ik niets meer te verwachten ? Waarheid heb ik gevonden, maar vrij ben ik niet. De waarheid die mij vrij maakt heb ik niet gevonden. In plaats van de banden der lust zijn die der vreeze gekomen. Ach, mijn toestand is ellendiger dan voorheen. Toen ik zonder wet was leefde ik, maar toen de wet gekomen is ben ik gestorven.

Dat kan het niet zijn, wat Jezus bedoelt als hij zegt: de waarheid zal u vrijmaken. Mijne zonde, Gods gerechtigheid; ja, waarheid is het, maar de waarheid, de volle waarheid, neen, dat is het niet. Want de volle waarheid moet mij vrijmaken, zoo ik althans voor waarheid geschapen ben ; en deze waarheid maakt mij niet vrij, integendeel, zij legt mij harder ketenen aan.

Maar er is meer: ik kan zelfs deze waarheid niet als waarheid erkennen zoo ik geene andere bezit. Neen, mijne zedelijke natuur komt ook daartegen op, dat mij als schuld zou worden toegerekend wat ik niet heb kunnen ontgaan. Is het mijne schuld, dat ik een hart in mijn binnenste omdraag zoo vol begeerlijk-

Sluiten