Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen wordt die belijdenis zelve eene kracht in de wereld, de kracht Gods tegen het booze, en blijkt dat de poorten der hel niets vermogen tegen zijne gemeente, dat het vaste fondament Gods staat.

II.

Het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zei/el: De lieer kent degenen, die de zijnen zijn; en: Een iegelyk die den naam des Heeren noemt sta af van ongerechtigheid. Wij zagen het. Dit is een troostwoord, een woord waarmede de apostel zichzelven troost, en allen die met hem het lijden der liefde kennen. Maar dat troostwoord is tevens een woord van vermaning, en alleen zij die de vermaning aannemen, kunnen ook den troost smaken. De een is onafscheidelijk van den anderen. Hebben ook wij dien troost noodig; dat is de vraag, dien wij in de tweede plaats voorstellen.

Men kan die vraag beantwoorden met het oog op den tijd dien wij beleven, en met het oog op ons zeiven.

Slaan wij het oog op den tijd dien wij beleven, dan is het antwoord ras gevonden. Te allen tijde, maar voornamelijk in onzen tijd hebben wij den troost des apostels noodig. Of leven ook wij niet in een tijd van afval? Heeft onze tijd niet veel overeenkomst met dien waarin de apostel dezen brief schreef? Kan de nieuwere tijd, ik bedoel de tijd die met de hervorming heeft aangevangen, ook niet vergeleken worden bij een dag die zijn morgen, zijn middag en zijn avond heeft? Zijn morgen in het frissclie geloofsleven dat alom ontwaakte en dat de gedaante der wereld heeft veranderd. Zijn middag in den bloeitijd der kerken uit de hervorming ontstaan, ja der kerk zelve die haar had uitgeworpen. Zijn avond.... waarin? Zal ik zeggen in het streven der nieuwere maatschappij om zich buiten de kerk en zonder de kerk te ves-

Sluiten