Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over hare boosheid, hare vijandschap? Troost over uwe geringe vorderingen, het schijnbaar onnutte van uw werk, wanneer gij moedeloos uitroept: lk heb te vergeefs gearbeid, ik heb mijne kracht onnuttelijk en ijdellijk besteed (Jes. XLIX:4); immers heb ik te vergeefs mijn hart gezuiverd en mijne handen in onschuld gewasschen (Ps. LXXIII: 13). Welnu, zie hier uw troost: God kent u, en gij weet wat dat woord kennen in de Schrift beteekent. Het is een kennen met welgevallen, een kennen deiliefde. Zijn oog rust zegenend, verkwikkend, levengevend op u, op uwen weg, op uw werk. Uw weg is bij Hem niet verborgen, uw recht is bij den Heer en uw werkloon bij uwen God. Gij, gij alleen die het tweede opschrift van het zegel Gods verstaat: die den naam des Heeren aanroept sta af van ongerechtigheid, gij kunt het eerste verstaan en er al den troost van smaken: God kent de zijnen. Den troost, ja, vooral dan, wanneer gij van broeders of die zich broeders noemen, wordt versmaadt en verworpen. Gij moogt, gij kunt u nu eenmaal niet aan menschen onderwerpen, hunne eischen u laten opleggen, u binnen hunne eigenwillig getrokken kringen laten bannen. Gebonden door den H. Geest moogt en kunt gij dien Geest zeiven niet aan banden leggen, en tegenover de menschen zijt gij vrij. Die vrijheid nu die uw recht en uw plicht is, wordt verspild, gelasterd. Men scheldt u een lialfchristen, wellicht een schijn-cbristen, gij heult met de wereld, zoo heet het, gij hinkt op twee gedachten. Laat u niet afvoeren noch verschrikken; weest ook niet hooggevoelende, maar vreest. Vreest God en verlaat Hem niet. Uw weg is een diepe weg, een donkere weg; maar God kent dien. God kent u, gij eerlijken en oprechten, voor wie de dienst van God ernst is, de ernst des levens. Die donkere weg voert ten leven, tot den vollen middag, wanneer de rechtvaardigen zullen blinken als de zon in het koninkrijk huns Vaders. Wil dit zeggen dat gij van allen troost der gemeenschap verstoken zijt hier op aarde, dat de gemeenschap der heiligen slechts een toekomst is, waarvan in het heden nog niets wordt gevonden ? God kent de zijnen: beteekent het dat zij

Sluiten