Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog zijt gij veerkrachtig en jong; maar, zoo gij u door het woord des Heeren niet laat verjongen ten eeuwigen leven, zullen uwe kinderen uwe veerkracht missen, op het verkregen erfgoed rusten, zoo lang God het hun laat, en, door de lusten en ijdelheden der weelde verdarteld, als een verlamd en ontzenuwd geslacht daar nederliggen. Maar wat dreig ik met eene toekomst? Is het heden niet reeds bedenkelijk genoeg? Werkt de voorspoed niet reeds ontbindend op menigeen, menigeen onzer jongelingen en jonge dochters? De onzedelijkheid neemt toe, ik zeg niet, neen vooral niet alleen in de lagere standen, de zucht naar weelde en uitspanning dringt tot alle standen door; de rustdag is nauwelijks meer te herkennen, het grootste gedeelte onzer protestantsche bevolking bezoekt niet of schaars het huis des gebeds. Zoude dat kunnen zijn, zoo het woord Gods in eere was, liet licht op ons pad, de troost en de schat onzer' harten ? Zou de gemeente zoo weinig zichtbaar kunnen zijn, indien de huisgezinnen waren heiligdommen Gods? Zouden uwe leeraren bij hunne voorbereiding zoo angstig zich moeten vragen: wat kan de gemeente dragen, wat zal niet boven hare bevatting zijn, indien het woord Gods meer gekend, meer onderzocht, meer beoefend werd ? Maar welke plaats bekleedt de bijbel in uwe huizen ? Gij, huisvaders, schaamt gij u ook wellicht de uwen voor te gaan in huiselijke bijbellezing en gemeenschappelijk gebed, of... laten uwe bezigheden het u niet toe? Gij moeders, acht gij uwe kinderen altijd nog te jong om hun van Jezus te spreken, totdat de leeftijd daar is, waarop gij u van de doopbelofte kunt kwijten door, ja. door hen een uur in de week bij den leeraar te zenden, die hen tot Christenen zal moeten maken, zoo als .... maar neen, ik wil geen spottoon aanslaan ? Gij, heeren, laat mij liever zeggen, gij vrouwen van den aanzienlijken, of van den gegoeden of min gegoeden burgerstand, ik weet het, de klachten zijn algemeen over de verachtering, de toenemende zucht naar verstrooiing en gebrek aan onderdanigheid bij den dienstbaren stand, maar ik vraag u: wat kunt gij eischen of verwachten, zoo gij zeiven Gods ordeningen met voeten

Sluiten