Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn in de dingen mijns Vaders, hadden zijne oogen menigmaal aanschouwd wat daar in die voorhoven geschiedde. Dat het buitenste voorhof, dat der Heidenen genaamd, ingericht was tot eene openbare marktplaats ten gerieve der bedevaartgangers, dat daar de offerdieren gekocht en verkocht werden, dat daar ten behoeve der tempelschatting die in oud-joodsche munt betaald moest worden, wisselaarstafels waren aangericht, dit alles werd hij thans niet voor het eerst gewaar. Het was een gebruik door langdurigheid van tijd gewettigd, een gebruik dat aan niemand aanstoot gaf, dat de angstvalligste Farizeër ongerept liet bestaan, dat zelfs den ijver van een Johannes den dooper niet had opgewekt. Was het ook niet ten behoeve van den tempeldienst, voor heilige doeleinden dus, dat die ééne der vele voorhoven in eene markt was herschapen? Wie kon zich daaraan ergeren? Ook Jezus scheen daaraan achttien jaren lang geene ergernis te hebben genomen. Zoo vaak hij met de galileesche karavane was opgegaan ter feestviering, had hij dien handel aanschouwd en zonder stoornis laten voortbestaan. Waaruit zijne veranderde handelwijze te verklaren? Waarom dringt hij thans niet door naar het voorhof der Israelieten waar zijne plaats was, waar het marktrumoer niet doordrong, waar het geloovige volk zich rustig kon overgeven aan zijne aandacht en gebedsoefeningen ? Wat doet hem stilstaan midden in het voorhof der Heidenen, en in plaats van de oogen opwaarts te heffen ten gebede, die eerst om zich heen slaan, ten einde getuige te zijn van alles wat er voorviel, vervolgens ter aarde, om te zoeken hetgeen hem dienen kon tot vervaardiging .... ja, waarvan ? van een geesel. Eenige oogenblikken is hij daarmede bezig; niemand weet wat hij daarmede voorheeft, gesteld zelfs dat er zijn die er op letten. Hij is nog niet bekend in Jerusalem. Vervolgens slaat hij de oogen op, zijn blik vonkelt van heiligen toorn; in de uitgestrekte hand houdt hij den geesel, hij heft hem op en met snelle beweging slingert hij dien tegen de offerdieren, de schapen en ossen. Hunne drijvers wagen het niet weerstand te bieden en den ijveraar te storen; zij zeiven

Sluiten