Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn oog doet glinsteren, zijne hand wapent. Een woord Gods doemt op uit het diepst dier Israëlitische conscientiën. Daar zijn oogenblikken in het leven dat de woorden Gods diep verholen in het binnenste des gemoeds plotseling te voorschijn treden. Men zoekt ze niet, men herinnert ze zich niet, zij komen als van zelf. Daar staat geschreven: De ijver van uw huis heeft mij verslonden. Of zij bedachten waar het geschreven stond? Of zij zich dien ganschen schoonen lijdenspsalm (lxix) herinnerden, of de diepe weemoedstoon van den dichter, tegelijk bestormd door het pijnlijk gevoel zijner zonden en door het onverdiende lijden hem dooide haters des Heeren aangedaan, hun in de ziel weerklonk ? Het is niet waarschijnlijk. Alleenlijk daar staat geschreven: de ijver van uw huis heeft mij verslonden. En meer dan zij het wisten profeteerden zij de toekomst van dezen heiligen ijveraar. Ja, verslonden zal hij worden door zijnen ijver voor het huis Jehova's, en al de smaadheden dergenen die God smaden zullen op hem vallen. Maar zij wisten het nog niet. God sprak in hun binnenste en zijne stem is profetie, al verstaan ook de profeten die nog niet. Zij werden indachtig dat er geschreven is : de ijver van uw huis heeft mij verslonden. Het waren de discipelen; het was Johannes en Petrus, Philippus en Andreas en Nathanael, en wie meer hadden aangezeten aan de bruiloft te Cana en met hen waren opgegaan naar Jeruzalem.

Daar waren er anderen, die mede nadachten over hetgeen zij gezien hadden, die mede den indruk van dien heiligen ijver hadden ondervonden. Het waren de gestelde machten in Israël, die waken moesten over den tempel en het volk des tempels, al het onheilige daaruit bannen, zorgen dat de naam Jehova's niet werd ontheiligd noch het heilige den honden toegeworpen. Reine handen moesten zij opheffen naar het heiligdom opdat de offeranden des volks niet bezoedeld wierden, de heilige Geest der profetie moest op hunne lippen zijn opdat het woord Gods niet verontreinigd zou worden, de wet Gods in hun hart opdat het recht Gods niet verdraaid zoude worden in hunne uitspraken. Het waren de priesters III. 20

Sluiten