Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen de uitverkorenen Gods. Maar gij weet het, wat de laatste waarschuwing was en de laatste vertroosting van hem, die alzoo voor u gebeden heeft: In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goeden moed, ik heb de wereld overwonnen. (Joh. XVI: 33). Gij weet het, wat hij mede voor u gevraagd heeft: lk bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boose. (XVII : 15). De wereld, de wereld! weet gij wat dit woord beteekent, naar de Schrift? Niet maar alleen de verlorene, de in de duisternis van onkunde en zonde hopeloos naar redding uitziende, niet de heidenwereld met hare diepe ellenden en onuitsprekelijke behoeften, neen de afvallige, de Gode en zijn woord vijandige wereld. Zij grijnst u tegen in en buiten het heiligdom, zoekende u als een roof weg te voeren, o ziele, die u aan Christus wilt geven. Wat zeg ik? Zij grijnst i! tegen! Ach, deed zij dat slechts, gij zoudt haar dreigen niet vreezen, haar spot verachten, haar aanvallen afslaan aan den voet van het kruis. Neen, zij lacht u aan, zij nadert tot u met de snoeren der liefde, waarmede zij ook beweert aan het kruis geltonden te zijn, om u te trekken en te verstrikken en onder liefelijk gezang te dooden. Kent gij niet reeds dien schijnbaar niet boosaardigen maar goedaardigen en medelijdenden glimlach, waarmede zij uwe eenvoudigheid bespot, zoo gij eenigszins laat blijken dat er vreeze Gods is in uw hart ? Kent gij niet dien beschermenden toon waarmede zij uw geloof in Christus prijst, want ook zij gelooft in Christus, immers doopt zij met zijn naam de vrijgeesterij, de menschvergoding en den natuurdienst dien zij u aanprijst ? Kent gij niet dien verpletterenden blik van minachting, waarmede zij u aankondigt dat zij u voortaan zal verstooten en uitwerpen, zoodra gij den moed hebt haar in het aangezicht te zien en te wederstaal! ? Ach, ik weet het wel — neen laat mij niet alzoo spreken, hoe zou ik het weten ? maar ik vrees het toch maar al te zeer, — dat meer dan één een prooi zal worden der wereld en met haar zal vergaan. Mij dunkt, ik zie reeds meer dan één van u, die nog op dezen zelfden dag den Heer zal verloochenen, die zich

Sluiten