Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet. Ziet om u heen in de natuur. Die boomen die de lente heeft zien uitbotten, de zomer bloeien, waarop de herfstzon een laatsten glans heeft gespreid, wier kroon wij eerst geel weldra bladerloos hebben zien worden, om eerlang als uitgestorven stammen met het doodskleed van den winter te worden bekleed: die boomen, zij zijn ons beeld. Wij werden ook door het leven als ontbladerd; terwijl wij leven verliezen wij ons leven, onze kroon verdort, onze bladeren vallen af. Leven wij lang, dan zijn wij spoedig een alleenstaande, bladerlooze stam. Alles is afgevallen, vruchten en loof; maar de stam is gebleven, en die stam dat zijn wij.

Zoo is de ouderdom daar, en hij die te komen staat is niet gekomen. Nog wachten wij. Wij wachten altijd. Dat wachten begint ons te verontrusten. Mijn God, mijn God, roepen wij uit, is (lat, is dat mijn leven: altijd wachten! Twintig, veertig, tachtig jaar was ik wachtende, en niets is gekomen, niemand is gekomen! Zal het eeuwig zoo zijn ? Is dit leven symbool en profetie van het toekomende? Hoe somber is dat symbool, hoe wanhopig die profetie! Zal ik eeuwig wachten? In de wereld met al hare afleidingen en afwisselingen stond ik toch eigenlijk alleen. Blijf ik alleen in den dood ? alleen in de eeuwigheid ? Den ik gedoemd tot een leven, zooals dat van den boom die in de lente weder bloeit om dan weder te verdorren en wederom te bloeien ? Is mijn leven alzoo een eeuwig wachten, een eeuwig worden, dat is een eeuwige ontkenning van de eeuwigheid? Zal ik nooit het geheim leeren verstaan van mijnen strijd, van mijne angsten en verwachtingen ? Zal ik altijd in den omtrek der dingen gevangen blijven en nooit tot het middelpunt doordringen? Of is mijn bestaan een altijd voortgetrokken rechte lijn, die nergens eindigt en waarvan ieder beschreven punt de opheffing is van het voorafgaande? Is er geen middelpunt, geen rustpunt? En wat er in al deze wisselingen alleen niet wisselvallig is, is het de wisselvalligheid zelve?

O gij grijsaard, die het leven moet kennen, troost u, zoo gij kunt, met dit troostelooze vooruitzicht. Ontvlamt dan, gij jonge-

Sluiten