Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertoeven." Het is onmogelijk zich omtrent de bedoeling van dit woord te vergissen. Hij spreekt tot dezulken, die ongeduldig uitzien naar de komst van Hem die komen moet, en hij vermaant hen tot geduld, tot lijdzaamheid; hunnen ijver wil hij matigen, opdat die ijver eenigszins bedwongen eene zedelijke kracht worde en niet worde verspild.

Voor degenen die hier bedoeld worden, is dus die natuurlijke verwachting van iedere menschelijke ziel eene hoop geworden. In Hem die komen moet, begroeten zij eenen weldoener, eenen verlosser. Beteekent dit dat zij die in het leven veel te lijden hebben nu meenen dat zij des te meer te verwachten hebben van hier namaals, en dat de toekomst aan gene zijde des grafs hun vergoeden moet wat zij hier hebben gemist? Is hunne hoop eene denkbeeldige, hoogmoedige, zelfzuchtige hoop, de hoop van hem die in de toekomst een toevlucht zoekt, wanneer het heden hem ontsnapt? Van dergelijke verwachtingen is de wereld vol, en zelfs hetgeen die anders onbegrijpelijke godsdienstige onverschilligheid verklaart, dat matte midden dat bij de meeste menschen bestaat, dat dobberen tusschen hoop en wanhoop, dat is, helaas, die illusie waarin zij verkeeren omtrent de toekomst. Eene illusie, zeg ik, eene zelfmisleiding. Wellicht gelooft gij mij niet, als ik de hoop der zaligheid zoo als die bij velen bestaat, alzoo noem. Welnu, dat dan hun eigen leven verklare van welk gehalte die hoop is. Is die hoop eene kracht, eene kracht in het leven, eene kracht in den dood ? Houdt die hoop van iets terug? Geeft zij moed tot iets? Houdt zij terug van lichtzinnigheid, van werelddienst; stemt zij de ziel tot ernst en geeft zij helderheid aan den geest? Ziet men den wereldling niet veeleer vreezen om zich daaraan te hechten, en zoekt hij zich niet zoo veel mogelijk daarvan los te maken? Zich zoeken los te maken van zijn schat? Er met moeite en als gesleept zich heen te begeven in de uren dat men ontstemd en teleurgesteld is, 0111 dien schat zoo spoedig mogelijk weer te verlaten en afleiding te zoeken in de wereld! Alzoo te dobberen tusschen de eene en andere afkeerigheid, de eene en de andere

Sluiten