Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

digt reeds. Ja, laat mij al de strengheid van het gericht ondergaan, het gericht zelf doet mij hopen, hopen op mijnen rechter. Op Hem zal ik mij beroepen tegen zijn eigen vonnis; en, daar ik niets anders kan laten gelden zal ik mijn eigen scluild en rechtvaardige straf Hem voorstellen als een beroep op zijn medelijden. Gerechtigheid toch sluit geene genade uit. Ja, zonder gerechtigheid is er geene genade. Welnu, op die genade zal ik mij beroepen, terwijl ik de gerechtigheid erken en er mij aan onderwerp.

Wanneer het woord genade komt opdoemen aan den horizon onzer ziel, en dat kan niet geschieden alvorens de bliksemschicht der gerechtigheid daarin gevallen is, dan is niet alles meer duisternis, dan verkondigt reeds eene flauwe weerschijn den dag. Maar wij behoeven ons niet meer te bepalen tot dien flauwen weerschijn, niet meer te bepalen tot een eenvoudig roepen om genade; op die roepstem is antwoord gegeven. De genade is voor onze oogen verschenen als een feit, een werkelijkheid. De genade is vleesch geworden: zij is persoonlijk verschenen in Jezus Christus.

Nog een weinig tijds en hij die te komen staat zal komen en niet vertoeven. In den zin van den schrijver van dezen brief en van zijne broeders, is hij die te komen staat Jezus Christus. Laat ons voor het oogenblik ter zijde stellen de vraag naar den grond van deze hoop en de redenen waarom het O. Testamentisch woord in dezen zin wordt opgevat. Maar onderzoeken wij, gesteld dat die hoop gegrond zij, of het eene hoop is, d. i. iets heerlijks en vreugdevols, iets dat moed geeft en dat ons de zege doet behalen over hetgeen ons anders neerdrukt en verschrikt.

Om dit te weten, moet men Jezus Christus kennen. Welnu, wij kunnen hem kennen. Hij wordt ons getoond in de verhalen zijns levens; hij wordt ons getoond in het geloof der gemeente. Hoe toont hij zich ? Bovenal als liefde. Wat ons bovenal noodig is te kennen van Jezus Christus, — en dit geldt niet alleen van

Sluiten