Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Adam is geworden tot cene levende ziel, de laatste Adam tot eenen levendmakenden geest. Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna liet geestelijke. De eerste mensch is uit de aarde aardsch; de tweede mensch is de Heer uit den hemel. Hoedanig de aardsche is, zoodanig zijn ook de aardsehen; en hoedanig de heinelsche is, zoodanig zijn ook de hemelsehen: en gelijkerwijs wij het beeld des aardschen gedragen hebben, alzoo zullen tvij ook het beeld des hemelsehen dragen. Doch dit zeg ik, broeders, dat vleescli en bloed het koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.

En nu, om die blijde hope deelachtig te zijn, moet de kracht der verrijzenis in ons blijken. De Geest der heiligmaking moet in ons zijn.

„ Houdt het daarvoor dat gij ivel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus onzen Heer. Dat dan de zonde niet heersche in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheid van dat lichaam. En stelt uwe leden niet der zonde tot napenen der ongerechtigheid, maar stelt u zeiven Gode als uit de dooden levend geworden zijnde, en stelt uwe leden Gode tot wapenen der gerechtigheid." (Rom. VI: 11—13).

Wat is daarvan de vrucht?

„Indien Christus in ulieden is, zoo is teel het lichaam dood om der zonde wil, maar de geest is leven om der gerechtigheid wil. En indien de geest desgenen die Jezus uit de dooden opgewekt heeft in u woont, zoo zal Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken door zijnen Geest die in u woont" (Eom. VIII: 10, 11.)

vZoo dan, mijne Geliefde Broeders, zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Hceren, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in den Heer, (1 Kor. XV: 58) Amen.

Sluiten