Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weder tot stof. (Pred. III: 19, 20). En nu de behoefte: Wie merkt dat de adem van de hinderen der menschen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?

Wie merkt dat de adem van de kinderen der menschen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde? Bedrieg ik mij niet, dan doelt hier de Prediker op eene eigenaardigheid van den bouw van het menschelijk lichaam en niet op eene eigenaardigheid van 's menschen zieleleven, niet anders althans dan voorzoover deze laatste door de eerste wordt aangeduid. De ademhaling des menschen is eene andere dan die der dieren. „De opgerichte gestalte van den mensch — zegt een geachte nederlandsch schriftuitlegger van deze eeuw 1) — de opgerichte gestalte doet hem opwaarts ademen gelijk de gebukte gestalte der dieren hen nederwaarts ademen doet. Dit was, bij alle volken de oudste opmerking aangaande de voortreffelijkheid der menschen boven de dieren."

Voorzeker hadden de oude volken, de heidensche zoo min als het Israëlitische, onze natuurkennis niet. Zij hadden het niet zoo ver gebracht als onze natuurkundigen in de ontleed- en scheikunde, ook niet in de sterrekunde. Zij bleven veelszins staan bij de uitwendige gedaante der dingen. De inwendige samenstelling van het menschelijk lichaam kenden zij minder dan wij; de stof waaruit de lichamen bestaan, zoowel die van het dieren- als van het planten- en liet delfstoffelijk rijk, hadden zij minder dan de wetenschap het thans vermag te doen, herleid tot een zeker aantal eenvoudige bestanddeelen, die in verschillende verbindingen in die lichamen teruggevonden worden; den onmetelijken sterrenhemel hadden zij niet zoo gemeten als het thans met behulp der zoo ontwikkelde werktuigkunde geschieden kan. Hunne wetenschap der natuur in één woord is in vergelijking met de onze, wat het stamelen van een kind is in vergelijking met de stroomende rede des vurigen jongelings; al staat ook wellicht deze tot de

1) Van der Palm.

Sluiten