Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaat in de vrijmaking der natuur van de dienstbaarheid der verderfenis tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Daartoe zucht het schepsel te zamen en is te zamen als in barensnood tot nu toe. Wanneer de kinderen Gods zullen geopenbaard zijn in de heerlijkheid hunner aanneming, dan worden ook de banden der natuur geslaakt, het doel der schepping is bereikt: de natuur is onderworpen aan den geest; de kinderen Gods zijn vrij in het huis des Vaders; de Zoon Gods heerscht over allen; God is alles in allen.

Hier eindigen wij. Onze prediking der natuur was eene prediking van Christus. Hij is de heilige priester in het heiligdom van Gods werken en daarom is hij ook koning over die werken. Hij heeft de natuur bevrijd door aan haar te sterven. Daarom heerscht hij over haar. Daarom is hij onzichtbaar geworden, omdat hij niet meer aan haar is onderworpen. Ten hemel gevaren vervult hij met zijne heerlijkheid hemel en aarde. Hoven de natuur verheven, werkt hij verlossend in haar. Het, geloofsoog heeft hem als zoodanig ontdekt.

Hebt gij hem ontdekt? Maar dan ook zucht gij in u zeiven verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing uws lichaams. Leeft die hope in u? Welnu, ik veronderstel dat zij niet in u leeft. Zoo zij niet in u leeft, het is omdat gij haar niet zoekt, of omdat gij haar zoekende haar niet vindt. Zoo gij haar niet zoekt — wat zal ik u zeggen ? Zijt gij zoo tevreden met deze wereld, gevoelt gij u zoo gelukkig te midden van haar lijden? Gelukt het u om de verzuchtingen te smoren, die, ondanks u zeiven, zoo menigmaal oprijzen in uw hart? En zoo gij hierop niet anders dan ontkennend kunt antwoorden, indien gij oprecht zijt; ach. wat verhindert u dan te zoeken, te zoeken die vaste hope, die zekere verwachting der toekomstige heerlijkheid, die ons al het lijden dezes tijds doet dragen ? En zoo gij zoekt,

Sluiten