Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ENGELENZANG.

En van stonde aan was [daar] inet den engei eene menigte des hemelschen heirlegers, prijzende God en zeggende: Eere [zjj| God in de hoogste [hemelen], en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.

Luk AS II: 13, 14.

Indien in dien „zaatge nacht"1 waarvan wij zongen, een ander dan die herders die de nachtwacht hielden over hunne kudden, tegenwoordig geweest ware in die velden van Bethlehem, meent gij dat hij iets vernomen zou hebben van hetgeen deze herders vernamen, iets aanschouwd van hetgeen zij aanschouwden? Stelt u voor eenen heiden, ruw of beschaafd, een der krijgslieden h. v. van het germaansche legioen in Palestina gelegerd, of wel een fijn beschaafden Griek, ja, stelt u eenen ontrouwen Israeliet voor, een hooghartigen Fariseër of een wereldlievenden Sadduceër van het hof van Herodes, wiens schreden toevalligerwijze zouden afgedwaald zijn naar die eenzame plaats in dien stillen nacht, zoude hij ook omschenen zijn geweest met de heerlijkheid des Heeren, en zoude ook hij gehoord hebben der hemelingen lied ? Met nieuwe pracht, zongen wij, flikkerde het sterrenlicir en met nieuwe vreugd verheugden zich de engelen. Wellicht zoude die vreemdeling van die nieuwe pracht van het sterrenheir dit bespeurd hebben, dat het hem te moede was alsof die lichten des hemels oogen waren die een doorborenden blik in zijne ziel wierpen, van die nieuwe vreugde der hemelingen dit, dat het suizen van den nachtwind in zijne ooren klonk als zoo vele lispelende stemmen die

Sluiten