Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

korene in de wereld, als nog onlangs tot Maria: gij hebt genade gevonden in de oogen des Heeren. Nu luidt het wonderbare woord, van welks breedte en diepte en hoogte en lengte niemand liet wage iets af te doen — het ware heiligschennis — welbehagen in de menschen. O genieten wij dit woord! Laat ons bewonderend en aanbiddend stilstaan bij de blijde boodschap en ons verheugen met onuitsprekelijke vreugde. Om het te doen, daalt af, daalt af in uzelven, en luistert wat u de geest verkondigt in uw binnenste. Ziet, de geest in uw binnenste smaalt niet op de menschelijke natuur en veracht haar niet noch ook stelt haar lage eischen of vermoedt van haar kleine eer. Het is geene stem Gods die u een ideaal stelt naar uw eigen beeld en gelijkenis, en niet naar het beeld en de gelijkenis uws scheppers. Daar zijn ook in het leven der diepst gezonkenen, ook in uw leven, rampzaligen die de hooge dingen die uw jeugd u spelde, hebt gesteld op rekening uwer jeugdige inbeelding en die u thans vergenoegt met slijk en draf, daar zijn in uw leven oogenblikken, dat gij uit uwe diepte opziet naar bo\ en en gij aanschouwt uw beeld, het beeld uwer bestemming, uwer heerlijkheid; en het was zoo schoon, gij waart zoo rein, zoo krachtig, zoo zalig; maar gij sloot de oogen, want het pijnigde u, u zóó te zien; gij zaagt tevens van hoe hoog gij zijt gevallen, gij zaagt u zinkende, zinkende al dieper en dieper en niets vermocht u op te hellen. Ja, wij sluiten de oogen, want wij vreezen de waarheid, de waarheid die ons zegt: hoe zijt (jij uit den hemel gevallen, o gij morgenster, o beelddrager Gods! hoe derft gij kroon en heerlijkheid! Ontluisterd, met gebogen hoofde en waggelende schreden gaan wij grafwaarts. Onze heerlijkheid is als eene schim die aan onze oogen voorbijgaat; onze beeltenis is veracht. Zijn daar onder u, — daar zijn er gewis,— ijdele, hoogmoedige, ziclizelven behagende menschen, die mijne beschrijving als die eens somberen predikers afwijzen, ik beroep mij op u, als die het krachtigste bewijs zijt van de waarheid mijner stelling. Zoo gij heerlijkheid bezit in uzelven, waarom hebt gij om aan uzelven te gelooven noodig dat anderen uverheerlij-

Sluiten