Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

Één Christus onder de velen.

Die Christus, de hope der heerlijkheid.

Die Christus geopenbaard aan de heiligen.

Eén Christus onder de velen. Één Christus, de grond en het hoofd der menschheid; de Alfa en de Omega, de wortel en de kroon. Dat is de groote ergernis der wereld, die niet van den éénen wil weten, die hem eene plaats onder de velen wil toekennen, die meent, dat het hare eer te na komt, zoo zij zich aan den éénen onderwerpt. Zij wil nog wel éénen God, maar dan als onpersoonlijken geest, als een zinledig begrip, zinnebeeld van het algemeene waaronder men zich niets bepaalds kan denken; en dan verder de rijke verscheidenheid van menschen, van toestanden, van karakters, van eeuwen en geslachten, volken en individuen.

Maar ach, behoudt zij dan dien rijkdom ? Is onze eeuw, die zoo trotsch is op haren vooruitgang en hare ontwikkeling, toch niet alomme waar zij met dien éénen breekt onbeschrijfelijk eentonig en geestdoodend ? Wat wordt het geestelijk leven der menschen in onzen rasschen, voortvarenden tijd anders dan de snelle maar eentonige beweging van een raderwerk, waar men die behoeften die naar Christus uitgaan en door hem bevredigd worden, onderdrukt of miskent ? Ziet, is het eene sombere voorstelling, als ik het leven buiten Christus noem eene profetie van eenige weinige jaren, gevolgd door eene teleurstelling van vele, eene verwachting van de jeugd die door den rijperen leeftijd niet wordt vervuld? Wat zeg ik: van de jeugd? Ach, de jeugd is reeds zoo wijs, dat zij weet dat hare verwachtingen niet zullen vervuld worden, en het hoogere en edelere niet laat opkomen, en slechts goud en zingenot zoekt en den geest begraaft eer hij is ontwaakt? Ach, daar zijn er tot wie men niet van den éénen kan spreken, omdat er geen oor is om te hooren, geen hart om

Sluiten