Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij lijden allen, zoo velen wij in Christus zijn; wij lijden allen onuitspiekelijk, alleen daarom dat wij in eene wereld zijn die den Christus, ons hoofd verwerpt. Wat Paulus van zich zel\en getuigt, dat hij de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus in zijn vieesch vervult voor zijn lichaam, 't welk is de gemeente, dat kunnen alle christenen, een iegelijk in zijne mate van zichzelven getuigen. Hun hart rust in het eeuwige en lijdt in deze ijdele schijnwereld. Hun hart heeft lief, en liefde op aarde heet lijden. En toch is dit lijden vol beloften. Toch willen wij dit lijden niet ruilen tegen de valsche vreugde der wereld. Christus in ons lijdende is daardoor juist in ons de hope der heerlijkheid. Paulus verblijdt zich in zijn lijden, en dat behoort ook wel mede tot de nu geopenbaarde verborgenheid, dat wij geroepen en vermaand worden om ons te verheugen in de verdrukkingen, terwijl wij lijdende zijn. Te verheugen, ja, niet alleen daarover dat dit lijden het onderpand is der heerlijkheid, dat Christus in ons lijdende de hope is der heerlijkheid, maar daarover dat wij juist door dit lijden voor die heerlijkheid worden voorbereid, ja toebereid. Louterend is het vuur voor het goud, verterend voor het kaf. Christus in ons, dat is het goud; maar hoe is het vermengd en bezoedeld, met onze wel stervende maar toch ons nog aanklevende zonde. Eene hope der heerlijkheid hebben wij noodig, maar de heerlijkheid zelve kunnen wij nog niet dragen. Wij moeten worden gelouterd, geheiligd, opgevoed voor het eeuwige leven ; daar is niets in ons, geene behoefte, geene gave, geene kracht, of zij heeft dat louterend vuur van noode. Geene behoefte: behoefte moeten wij gevoelen aan den levenden God, en wij gevoelen doorgaans behoefte aan zijne gaven, daarom weigert Hij ons die. Geene gave: al wat uit de natuur in ons is moet gave worden des Heiligen Geestes. Kennis en liefde, de uitnemendste, zij moeten de wijding ontvangen van het eeuwige en daarom worden wij van het vele dat wij kunnen weten in de wereld, gestadig afgetrokken tegen onzen wil, tot het ééne noodige, en zijn de genegenheden onzes harten evenzoo vaak eene bron vau

Sluiten