Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ernst teekent liet gelaat, dankbare vreugd liet oog. Aan zijne zijde gaat eene vrouw — is zij zijne gade, of zijne dochter of

zuster? — maar zij een kind leunt aan haar borst en het

moederlijke offer der arme, de twee tortelduiven, wordt voor haar gebracht. Wat is het, dat Sinieon zoo onwederstaanbaar aan deze verschijning boeit? Waarom kan hij de oogen niet afwenden van den vader, van de moeder, van het kind? Ziet zijn oog, aan eenzaamheid gewend, de menschen niet gewoonlijk voorbij en pleegt hij wel lang te verwijlen bij hetgeen hij aanschouwt? O neen, die eenzaamheid heeft zijn blik gescherpt; in die eenzaamheid zat hij niet in het duister maar in het licht, en meer dan de verstrooide blik der dagelijksche tempelbezoekers, meer zelfs dan het oog der profetesse Anna, ofschoon zij dagelijks niet alleen met het lichaam maar met den geest in het huis des Heeren verkeerde, is zijn oog verlicht om te ontdekken wie dat kind was, wie die ouders.

Vraagt gij, waaraan hij dat kind erkende, aan welk teeken? Het kind zelt is het teeken. „ Door het geloof ivcrd Mozes toen hij geboren was drie maanden lang van zijne ouders verborgen, overmits zij zagen dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des Konings niet" (Hebr. XI : 23.) Schoonheid is iets geestelijks; daar is een zinnelijk schoon dat niets zegt, waarin geene ziel zich afspiegelt, geen geest zich openbaart, een schoon dat niet schoon is in de oogen der engelen Gods; maar daar is ook eene schoonheid die de harmonieuse uitdrukking is van het leven Gods in den mensch. Zoude dit kind niet in dezen zin onuitsprekelijk schoon geweest zijn, dat kind zonder zonde geboren uit den H. Geest? Het is voorzeker eene zeer geestelooze opvatting van het woord des Profeets, hij had geene gedaante noch heerlijkheid; als wij hem aanzagen zoo ivas er geene gestalte dat wij hem zonden begeerd hebben (Jes. LI 11: 2), zoo men daaruit heeft opgemaakt dat de verschijning van den Godmensch niet liefelijk en aantrekkelijk was en dat het geene zaligheid was hem te aanschouwen en te hooren. Maar zoo diep is het besef

Sluiten