Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onafscheidelijk van die der maatschappij en deze van die dei natuur. Nog is ons Gods heerlijke schepping, ja, wel een beeld van Gods heerlijkheid maar met een niet ondoordringbaar floers behangen. Wij zien nog door eenen spiegel in eene duistere rede, niet aangezicht tot aangezicht. Toch weet het oog des geestes door te dringen tot achter dat floers, en de spranken lichts op te vangen die in de nachtelijke duisternis het morgenrood doen gloren. Voor hem die in den levenden God gelooft, schepper van hemel en aarde, wordt de natuur die wij aanschouwen ééne profetie van de heerlijkheid die wij niet aanschouwen. In het geloof dat God in den beginne schiep <h hemel en de aarde, bezitten wij eenen bepaalden vorm voor onze hoop. De hoop staat met de verbeelding in zoo nauw verband, dat het niet mogelijk is iets te hopen zonder bepaalde voorstelling van hetgeen gehoopt wordt. De taal der hoop is poëzie, dat is de hoogste taal, louter beeldspraak. Wie kan zich verheugen in het vooruitzicht van het naakte zijn, de onsterfelijkheid, die als de eeuwige rechte lijn is, zonder uitgangspunt, zonder wezen, zonder doel. Wij verwachten de opstanding, wij verwachten „eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde", de vervulling van al de profetiën van dit aardsche leven, de werkelijkheid van al de beelden die wij hier aanschouwen. Welnu, mogen wij de natuur beschouwen als Gods werk, dan geven wij ons ook met vertrouwen over aan de indrukken, die wij van haar ontvangen, voorzoover die vatbaar zijn om geheiligd te worden en ons tot aanbidding te stemmen. Wij weten het zeer goed dat bet uitspansel niet is de hemel in den geestelijken zin des woords, en men behoeft ons nog niet van gemaakte naïviteit te beschuldigen, indien wij bijbeltaal gebruiken om ons geloof en onze hoop uit te drukken. Maar wij weten ook door dat geloof, dat de zichtbare wereld is de beeltenis van de onzichtbare. Wij beschouwen liet niet als eene optimistische illusie maar als een noodzakelijke voorwaarde van ons leven, denken, spreken, dus als een werk Gods in ons, indien wij spreken van een boven en een beneden; en wij bestrijden geene ontdekking, noch der sterre-

Sluiten