Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waardig, dat ieder die zich zeiven rekenschap geeft van de verschijnselen, die hij waarneemt, er zich mede bezig houde. Maar ook is deze vraag overwaardig de volle belangstelling, de algeheele aandacht van den Christen tot zich te trekken: van den Christen, die krachtens zijn geloof niet kan nalaten belang te stellen in alles wat het lot der menschheid betreft, en die noodzakelijk er een behagen in heeft de hand van God te onderscheiden en de wegen zijner aanbiddelijke wijsheid te volgen; want die God is zijn Vader, en Hem te kennen is te leven.

Ja, de vraag welke ik thans onder uwe aandacht breng, ligt geheel binnen den kring van ons geloof. Het christelijk geloof toch verklaart ons niet alleen het leven van den enkelen mensch, maar ook het leven der menschheid; ja, het is juist omdat het de ziel boven zich zelve verheft, om haar in te wijden in de eeuwige raadsbesluiten van God, in het plan zijner regeering met de geheele wereld, dat die ziel zich zelve terug vindt in God en hare plaats onderscheidt in dat uitgestrekt heelal waarvan God het middelpunt is. Hoe zoude dan de Christen zich niet gedrongen gevoelen om te onderzoeken of er ook in Gods woord eene verklaring gegeven is van dit eenige verschijnsel der wereldgeschiedenis? En indien hij in dit woord de openbaring vindt van een raadsbesluit Gods dat alleen de verklaring behelst van dit anders onverklaarbaar verschijnsel, hoe zoude hij die openbaring kunnen beschouwen als buiten den kring van zijn geloof gelegen? Zulk eene openbaring nu vinden wij in de woorden van onzen tekst. Reeds de bijzondere melding, welke de Apostel hier van de lotsbedeeling van het volk zijner vaderen maakt, op liet voetspoor der profetie van het Oude Verbond, is genoegzaam om ons aan te toonen dat het hier niet slechts eene wetenschappelijke vraag geldt maar eene geloofsvraag, en dus gewichtig voor ieder Christen; want gij weet, het staat ons niet vrij uit de Heilige Schrift zulke gedeelten welke ons noodzakelijk voorkomen uit te kiezen om andere te laten liggen: „Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onder-

Sluiten