Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een langzaam voortwoekeren van het inwendig bederf, hetzij dan van dienst des vleesches of wereldsgezindheid, of, meestal, van hoovaardij plaats vindt, daarop wordt niet gelet. Het geloof, als aannemen van geloofswaarheden opgevat, bedekt het alles. ^ oor dat geloof, d. i. voor de geloofsleer wordt geijverd, wordt gestreden. Die dezelfde leer belijden, of geacht worden te belijden, worden als broeders beschouwd, de overigen als onbekeerden. Nu is het partijwezen gevormd, in eindelooze ontwikkeling. Want in den grooten kring, dien men 0111 zich heen getrokken heeft vormen zich kleinere, en weder kleinere; altijd 0111 zich heen; want men is onbewust zich zeiven tot middelpunt geworden, door het oog te verliezen op den levenden Heer en de belijdenis van zijn naam in de plaats te stellen van Hem zeiven. Men belijdt zijne belijdenis ; men belijdt zijn eigen Christen-zijn; is dat den Christus belijden? Het partijwezen; weet gij, hoe het zich openbaart? Door langzame, maar toenemende verduistering van het zedelijk oordeel. In dezelfde mate als de zonde in eigen hart miskend wordt, wordt het oordeel over goed en kwaad in anderen verward, vervalscht. Men vraagt niet: is iets goed? is het kwaad? is het waar? is het onwaar? maar: van welke zijde komt het? Ja, het oordeel over menschen wordt afhankelijk van den partijnaam dien zij dragen. In plaats van het johanneïsche: die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, of: die de zonde doet is uit den duivel; heet het omgekeerd: wat de rechtvaardige, of dien ik daarvoor houde, doet is rechtvaardig; wat de zondaar, de onbekeerde, dien ik daarvoor houde, doet, is zonde. Want niet dat ik den partijgeest dien ik bestrijde, slechts aan ééne zijde vinde; ik weet dat er evenzoo afgoderij bedreven wordt met vrijzinnige als met rechtzinnige leuzen. Neen, den partijgeest zeiven beschrijf en bestrijd ik. Hij is in mijne oogen het grootste kwaad, in de Kerk zoowel als in den Staat. Ja, zoo God het niet verhoedt, zoo het Nederlandsche volk zich niet van deze zijne groote zonde bekeert, vrees ik zeer, dat de partijgeest onze Kerk en onzen Staat ten ondergang brengt.

Sluiten