Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heiligheid is doorgaans slechts het correctief voor iets anders, dat dieper zit en omdat het meer verborgen is, minder erkend wordt, — het gevaar der joodsche leergerechtigheid? Is voor velen het geloof dat den mensch voor God rechtvaardigt, niet gelijkluidend met eene geloofsleer die men aanneemt en vasthoudt, eene leer die zich dan veelal oplost in een zeker aantal formules, als hoofdwaarheden beschouwd, en waarvan men de waarheid die zij moeten uitdrukken niet meer erkent, zoodra de formule verlaten en het geijkte woord niet meer gebezigd wordt? En dan — omdat de leer als zoodanig, welke leer dan ook, al moge zij nog zoo juiste uitdrukking van waarheid zijn, het gemoed niet bevredigt,— zoekt men dien vrede niet, de gerustheid omtrent zijn genadetoestand, in de veelheid en veelsoortigheid van zoogenaamde christelijke werken? Eene onrustige bedrijvigheid ligt maar al te vaak op den weg der doode rechtzinnigheid. De grond is hard, maar men strooit er verwelkende bloemen op en meent dan dat er bloei is en wasdom.

Daar zijn er die, wars van deze bekrompenheid en engheid van hart, dien zij in strijd achten met het karakter van algemeenmenschelijken, van wereldgodsdienst, als waarvoor zij het christendom houden, gretig het oor leenen aan al wat hun bevrijding uit die klemmende banden spelt. Het menschelijke zoeken zij, en aan niets wat menschelijk is wenschen zij vreemd te blijven. Het bovennatuurlijke schuwen zij, het natuurlijke trekt hen aan. Maar hebben zij wel eene scheiding gemaakt tusschen het goddelijke en het ongoddelijke in mensch en natuur? Heeft het woord zonde niet zijne ontzaglijke beteekenis voor hen verloren? Hebben zij de wereld niet lief gekregen, de wereld, dat is de begeerlijkheid des vleesches en de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens? Weten zij nog wat wereldverzaking en zelfverloochening beteekenen?

De levensweg, de nauwe bergweg loopt nog altijd tusschen deze twee afgronden: den eenen, dien van het wereldverachtende Fariseïsme, den anderen, dien van het wereldlievende Sadduceïsme I

Sluiten