Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huis"' luidt, Nieuw-Testamentisch vertolkt, alzoo: „er blijft eene rust over voor het volk Gods. Want die ingegaan is in zijne rust, heeft zelf ook van zijne werken gerust, gelijk God van de zijne. Laat ons dan ons benaarstigen om in die rust in te gaan." (Hebr. IV: 9—11"). Gij weet het wie hij is, van wien gezegd wordt dat hij is ingegaan in zijne rust. Is hij er ingegaan, heeft hij de heerlijkheid gevonden, den eeuwigen Sabbath, de rust in God en het genot zijner werken, buiten de smarten des doods en de kwellingen des levens, buiten dien lijdensweg, waarvan het graf de eindpaal is ? Gij weet het, zoo iemand, hij was de man der smarten bij uitnemendheid, de geplaagde onder de menschenkinderen, wiens levenservaringen schenen te getuigen dat hij van God geslagen en verdrukt was. Al de krankheden van het menschelijk geslacht, de veelsoortige ellenden, die de diepste weemoedstonen uit 's menschen hart doen opwellen, en waarvan de menschelijke wijsheid slechts de meest troostelooze verklaring weet te geven, al die smarten, ongelijk verdeeld onder de menschenkinderen, komen als „aanloopen" op zijn hart. Is het tafereel van 's menschen einde bij den Prediker weemoedig, oneindig snijdender is de indruk van het verhaal van zijn einde, en ongekende bronnen van tranen openen zich in ons hart als wij lezen van zijn lijden en van zijn sterven aan het kruis. En ook dit lijden eindigt in het graf. In het graf: zijn eeuwig huis? „En wij meenden dat hij het was die Israël verlossen zoude?" .... Ja wel, in het graf eindigt zijn lijden. Maar ziet, ziet wel toe in dat graf. Gij kunt het, Avant ziet, het is geopend. Gij behoeft den steen niet, als die vrouwen op den Sabbathavond, als met den blik te doorboren, of gij iets mocht bespeuren van de geheimenissen van den dood. Gij behoeft het oor niet te spitsen in de stilte van den nacht, of gij iets mocht vernemen van het geheimzinnige ruischen eener onzichtbare wereld achter de zichtbare, eener wereld waar de dooden als schimmen zweven en toonloos spreken. Ziet, het graf is geopend en bij het licht van den morgen, wat ziet gij ? Geen lijk, geen doodsbeenderen; daar is geen stille doodsrust in dat graf,

Sluiten