Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet" (Gal. IV : 4). Als mensch is hij aan tijd en plaats gebonden; als mensch is hij onder de wet der raenschen. Hij, de Zoon des Vaders, is ook de gezant des Vaders en hij is gezonden tot de verlorene schapen van het huis Israëls. Zijne levenstaak is beperkt binnen de grenzen zijner aardsche roeping. Hij heeft zich te openbaren gelijk hij is, te midden van het volk tot hetwelk hij in de eerste plaats is gezonden. Daarom zegt hij scheidende tot zijne discipelen: „Het is 11 nut, dat ik heenga", en: „gij zult grootere werken doen dan deze".

Menschen vormt hij; geen schrift laat hij na. Menschen, die zijne medearbeiders zullen zijn, zijn werk zullen doen, uit persoonlijke overtuiging en met volkomene vrije toewijding des harten. Daarom zegt hij : „bidt den Heer des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote." Hij doet het werk niet alleen, hij doet het in en door zijne dienstknechten.

Zijne dienstknechten, medearbeiders voor den grooten oogst der toekomst. Maar staan zij daar niet nevens hem; de eerstelingen van dat groote heirleger der toekomst, dat daar vrede zal verkondigen de gansche wereld door, vrede aan hen die verre zijn, vrede aan hen die nabij zijn?

Welnu, het geloof is moedig; het geloof ziet niet op liet getal der getuigen maar op de kracht der getuigenis. Dat zij al vast de hand aan den ploeg slaan, deze weinige getrouwen. Branden zij niet van begeerte om het woord des Meesters te verkondigen en in zijne kracht groote daden te doen ? Dat zij heengaan, twee aan twee, en in alle vlekken en steden van Israël het evangelie des koninkrijks verkondigen. Straks staan meerderen hun ter zijde, steeds in toenemend getal, de gansche wereld door, tot de oogst zal zijn bereid.

Zoo zouden wij oordeelen.

Wat zegt Jezus: „bidt den Heer des oogstes, dat Hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote."

Sluiten