Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarom Mozes moed had om tegen de Egjptenaren de partij op te nemen van zijn volk, toen de Heer hem niet riep, en geen moed toen de Heer hem riep. Onze eigen weg schijnt ons meestal veiliger dan de weg des Heeren. Was haar leven haar niet als een droom? Haar intrede in het huis van Abraham; den godsdienst dien zij daar had gevonden; haar moedervreugde en moedertrots ; de openbaring van dien God aan haar eigen ziel; de belofte, ontvangen voor dien zoon ? En nu toch verdreven, smadelijk weggejaagd, eenzaam, eenzaam in deze woestijn! Dit alles is haar een raadsel. Zij peinst en zint. Haar oog is meer naar binnen gekeerd dan naar buiten. Nog rijst de zon in het Oosten, nog kent zij de landstreek, nog is zij afgeleid van hare overpeinzingen door den ontembaren moedwil van het kind, voor wien alles nieuw is; nog is de woestijn haar niet zoo woest, zoo ledig; maar de zon staat reeds hoog aan den hemel, loodrecht vallen hare stralen; eenzamer, woester wordt het oord, gloeiender de grond:

Een grond dien 's hemels vuren roostten,

Tot ééne onoverzienbre, één waterlooze zee

Van golven, steen en rots, tooneel van schrik en wee,

Verlatenheid en dorst en zonder laafnis sterven.

"Veilatenheid en dorst en zonder laafnis sterven!

Ja, het wordt bang om haar hart; reeds neigt de zon naar 't Westen, en nog in de verte geen spoor van leven, geen ruischen van de beek van Egypte.

Het wordt stil en stiller. Zij hoort de stilte. De woorden van den knaap worden schaarscher en schaarscher, zijn blik is matter, zijne schreden wankelen. Het brood is spoedig verteerd; inaar ook — jammer! de lederen zak met water wordt al lichter en lichter te dragen. Nog weinige teugen slechts en daar is geen lafenis meer. Keeds lang ontzegt zich de moeder, zij het ook in «een lucht die de ademtocht doet derven aan wat naar adem zoekt aan t brandend verhemelte en de uitgedroogde lippen iedere verkwikking. De vrouw — zij kan langer ontberen dan

Sluiten