Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar toch beiden uitgaan van de meening dat de kerk van onmiddellijk goddelijke instelling is.

De kerk nu als instelling heeft eeuwen lang de maatschappij beheerscht; zij was haar moeder, soms haar voogdes, niet altijd eene wijze en liefderijke. Die tijden zijn voorbij, onherroepelijk voorbij, en die het verleden willen terugroepen doen een wanhopig werk, de koortsachtige spanning waarmede zij dat werk doen, toont genoegzaam dat dit werk niet uit God is.

En de van de kerk geëmancipeerde maatschappij .... hoedanig is haar houding tegenover de kerk? Noem het afval, noem het natuurlijke reactie — wellicht is het beide — het feit is niet te loochenen, dat de houding der maatschappij tegenover de kerk eer vijandig dan vriendelijk is.

Hieruit volgt een dubbel gevaar voor de kerk. Dat zij of zich schuw terug trekke of zich slaafsch onderwerpe, hare zelfstandigheid redde in de woestijn of verlieze in de wereld.

De kerk te bouwen, voor de kerk te arbeiden is daarom heden ten dage een uiterst moeilijke, een uiterst teedere zaak.

Heerschen over den staat mag niet, maar door haren zedelijken invloed in de maatschappij ook op de staatsinstellingen te werken en hem alzoo tot zegen te zijn, dat is haar roeping.

Wat is daartoe noodig? Immers dit, dat al hare inrichtingen en werkzaamheden, de plechtigheden van den openbaren eeredienst, haar godsdienstonderwijs, haar armenverzorging, haar bestuur en beheer, samenwerken om haar tot orgaan te doen zijn van dien geest, den Heiligen Geest, die alleen de kracht is waardoor de maatschappij geheiligd, iedere zegen behouden, iedere vloek gebannen, iedere ontwikkeling bevorderd en in rechten zin bestierd kan worden.

Beschouwt men alzoo de roeping der kerk? Is bij velen niet de kerk doel en geen middel, grond en niet openbaring der waarheid? Beschouwen velen haar niet als eene staat naast, of in, zoo niet tegenover den staat? Is het hun niet meer te doen om de kerk als inrichting zuiver te bewaren of te herstellen, of

Sluiten