Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen de wereld, die dien geest niet kan ontvangen omdat zij hem niet ziet noch kent, en zijne discipelen, die hem kunnen ontvangen omdat zij hem kennen, ja omdat hij bij hen blijtt ?

Hoe deze tegenstrijdigheid op te lossen, dat hij den Vader bidden zal en Hij zal den Geest der waarheid zenden en dat zij dien geest toch kennen, ja zien, en dat hij bij hen blijft?

Die tegenstrijdigheid zou onopgelost blijven en eene tweeslachtige levensbeschouwing, waarvan de beide deelen onverzoend nevens elkander zouden liggen, zouden door deze woorden des Heeren zijn uitgesproken, indien onder dien geest der waarheid moest worden verstaan wat zoovelen er onder verstaan, het algemeene waarheidsgevoel, de waarheidszin, die den mensch in zijn gevallen toestand is overgebleven, die op zijn donkeren levensweg als het lichtspoor is dat van het verloren aardsche naar het geopende hemelsche paradijs leidt, indien z ij reeds den geest der waarheid hadden, die uit de waarheid zijn (Joh. XIX: 37). Dan bezaten deze discipelen alle, deze elve die hem getrouw gebleven waren in de verdrukking en van zijn woord leefden, den geest der waarheid reeds, en behoefde Jezus niet te zeggen: „Ik zal dien voor u vragen."

Maar ziet, die waarheidszin is de weg om den Geest der waarheid te ontvangen, maar is zelf nog die Geest niet. Door dien waarheidszin hadden zij in Jezus den Geest der waarheid ontdekt; hadden hem gezien, hadden beleden dat hij de waarheid was, maar hadden zelf dien Geest nog niet ontvangen. Door dien waarheidszin waren zij onderscheiden van de wereld die dien Geest niet kende en niet zag en hem dus niet kon ontvangen. Door dien waarheidszin erkennen wij onze behoefte aan waarheid, verlangen naar haar, zoeken haar. Dien waarheidszin niet te hebben is nog niet den Geest verwerpen en lasteren, ofschoon het er de weg toe is, maar het natuurlijk geweten onderdrukken, het waarheidsgevoel dooden, of, zooals de apostel het uitdrukt Rom. 1: 18), „de waarheid in ongerechtigheid te onderhouden". Dat deed Pilatus, toen hij aan de zedelijke overmacht des ge-

Sluiten