Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UITWENDIGE GEBONDENHEID VOORWAARDE VAN GEESTELIJKEN WASDOM.

Zoo bid ik u dan, ik de gevangene in den Heer ....

Efeze VI: 1.

Gij allen kent het koninklijke woord van den apostel Paulus, toen hij als gevangen man gebonden stond voor den koning Agrippa, en deze hem met eene ironie die den angst zijner ziel moest bedekken, had toegevoegd: „Gij beweegt mij bijna een christen te worden", het woord: „Ik wenschte wel van God, dat èn bijna èn geheellijk niet alleen gij maar ook allen die mij heden hooren, zoodanigen werden gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden."

Dit woord zoo eenvoudig, zoo waar, zoo weemoedig, en toch zoo hooghartig, werpt een treilend en liefelijk licht op het karakter

van den apostel.

Hij is gevangen en gebonden: redding, vrijspraak, loslating is niet in uitzicht; en toch, te midden van al dat lijden van buiten, ja nog meer van de grievende pijn zijns harten als hij bedacht wie hem dat lijden aandeden, voelt hij zich inwendig gelukkig, ja spreekt het argeloos, niet in overmoed maar als de onmiddellijke indruk zijns harten uit, dat hem zijn lot benijdbaar toeschijnt in vergelijking met dat zijner vijanden.

Hierin staat Paulus gelijk met Sokrates, die ook, toen hij den gifbeker moest drinken, zich gelukkiger achtte dan de rechters die hem dien beker deden drinken.

V. 17

Sluiten