Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe.

Nog eens: wat verstaat de apostel onder dat goud, dat zilver, die edelgesteenten, die op het fondament gebouwd worden, en die door het vuur van den laatsten dag niet worden verbrand?

Vergunt mij het antwoord op deze vraag weder aan te sluiten aan eene persoonlijke herinnering, een onvergetelijken dag uit mijn ambtsleven in uw midden. Toen ik na twee jaar in deze gemeente gebouwd te hebben in den dienst des Heeren, naar de Waalsche gemeente te Amsterdam beroepen werd, verbond ik mij opnieuw aan u met de woorden van eenen anderen apostel: „Tot welken komende, als tot eenen levenden steen, van de menschen wel verworpen maar bij God uitverkoren en dierbaar, zoo wordt gij ook zeiven als levende steenen gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus" (1 Petr. 11:5).

Ik zeg niet dat de gedachtengang van den apostel Paulus in het verband van onzen tekst volkomen dezelfde is als die bij den apostel Petrus, noch vooral dat zijn beeldspraak van de materialen die tot den bouw gebruikt worden voor zoo bepaalde verklaring vatbaar is als die van Petrus. Hij blijft meer bij het beeld in het algemeen, zonder als de laatste in de bijzondere toepassing te treden. Wij kunnen dus ook maar niet voetstoots zeggen dat onder dit goud en zilver en kostelijke steenen de geloovigen zeiven verstaan worden, zooals dit bij Petrus onder de levende steenen het geval is. Maar de laatste ook spreekt van het werk Gods, de eerste van het werk der menschen. De schepper der menschen alleen kan het leven geven; wij, zijne medearbeiders, kunnen slechts den weg des levens banen, de kanalen graven, waarin de wateren des levens kunnen stroomen.

Toch is het dezelfde symboliek van den geestelijken tempel Gods, die aan beide uitspraken ten grondslag ligt. God bouwt den tempel, maar wij brengen de materialen aan die tot den

Sluiten