Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zegt dat hij in de dingen zijns Vaders moet zijn. In de dingen zijns Vaders. Geen opgaan in den Vader als in het al. Geen terugkeer in den schoot des Vaders als in het onbewuste leven. Hij spreekt van „de dingen", dus van eene veelheid, maar wier band, wier eenheid is de Vader, zijn Vader! Het is alsof al de rijkdom der wereld buiten hem, al de schoonheid der idealen in hem voor zijn geest voorbijgaan, neen, als een onafzienbaar paradijs zich uitstrekken, maar de eenheid is in God, den Vader, zijn Vader!

Daarin moet hij zich verliezen; daarin mag, neen moet hij z ij n.

En ziet dan ook hoe dit gevangen zijn de persoonlijkheid niet onderdrukt maar volkomen doet uitkomen. In die dingen voelt hij zich te huis, omdat zij de dingen zijns Vaders zijn. Hij gevoelt zich te huis in wat hij aanschouwt. Hij gevoelt zich als de Zoon, de vrije, in het huis des Vaders. Nog niemand had in dien zin God Vader genoemd. De heidenen niet. Israël niet. Dit eerste woord van Jezus draagt reeds het kenmerk zijner oorspronkelijkheid. Hier wordt voor het eerst de ware beteekenis der menschelijke persoonlijkheid uitgesproken: Ik moet zijn in de dingen mijns Vaders.

Het zijn in den Vader is alzoo geen onpersoonlijk, maar een persoonlijk zijn. Het zelfbewustzijn ontstaat uit dit godsbewustzijn, en met dit zelfbewustzijn het gevoel eener levensroeping: „Ik moet zijn." Niet: het is mij opgelegd als eene wet. Neen, maar: ik kan niet anders. Het is de instinctmatige uitdrukking van de wet zijns wezens. Daartoe is hij gezet; dat is de reden van zijn bestaan. Nog is er geene onderscheiding van natuur en wil. Wat hij moet dat wil hij, wat hij wil dat moet hij. Ja, hij verwondert zich met kinderlijke eenvoudigheid, dat zijne moeder dat niet heeft begrepen. Argeloos en ongekunsteld antwoordt hij, als die gewoon is verstaan te worden van zijne moeder: „wist gij niet? wist gij niet dat ik moet zijn." Aan den tijd heeft hij niet gedacht. Hoe kon hij het? Hij was

Sluiten