Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lute macht daarin wortelt. .Gij zijt mijn zoon, heden heb ik u gegenereerd; eisch van mij en Ik zal de Heidenen geven tot uw erfdeel en de einden der aarde tot uwe bezitting." Zoo luidt het in den eersten koningspsalm; en dit verklaart den lierzang der profeten te midden van al het neerdrukkende van het heden, dit: dat zij den koning verwachten wiens heerschappij geen einde zal hebben, wiens koninkrijk een koninkrijk des vredes zal zijn tot in eeuwigheid. Dat hij die koning is, de zoon Gods, dat heeft Jezns gevoeld van der jeugd af aan, dat weet hij nu met onbedriegelijke gewisheid, en dit weten breidt wederom zijn gezichteinder uit en verhoogt zijn rechts- en zijn machtsgevoel alzoo, dat het tot eene vurige begeerte wordt, een dringend verlangen des harten om te bezitten wat hem toekomt. Al de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid: voorwaar, zij zijn hem een begeerlijk goed, want een wereldverachter is hij niet. Dat heeft hij van zijne voorgangers, de profeten, niet geleerd, dat kent hij niet in zijn eigen hart. Hij weet wel, hoe heerlijk de menschelijke natuur is toegerust door haren Schepper en welke schatten van wijsheid en macht, welke heerlijke gaven des geestes daar verholen liggen in liet hart der volkeren, begraven in den nacht des Heidendoms. Een Farizeër is hij niet. Al kent hij aan Israël het eerstgeboorterecht toe, hij weet dat God zijn Vader de veelheid der Heidenen tot Sion zal brengen en dat zij hunne schatten, allerlei schatten, wat zij slechts bezitten van geest en verstand en van rijkdom en eer, als gewijde gaven zullen brengen aan den koning van Sion. Hij heeft dat alles verstaan: dat de menschheid een geheel is in al de verscheidenheid harer deelen, en dat, onder al de verscheuringen en verdeeldheden die hare geschiedenis uitmaken, haar toekomst gewaarborgd is door hare bestemming, dat is door het scheppingsplan, door den eeuwigen raad zijns Vaders. Hoe zou hij het niet weten, daar hij eene eeuwige betrekking gevoelt op al wat mensch is, daar al wat menschelijk is in hem weerklank, neen vervulling en voltooiing vindt. Daarom begrijpt hij ieder menscl en kent zijne verborgene, diep verholene, aan hem zeiven

Sluiten