Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een natuurlijk weefsel zich aan ons oog vertoont, en waar wij de scheppende werkzaamheid Gods als op de daad in e

natuur betrappen.

Nog eens: ondanks deze historische getuigenissen kunnen

wij aan °het verhaalde niet gelooven, zoo wij öf aan deze scheppende werkzaamheid Gods niet gelooven öf haar tot een ondenkbaar punt des tijds beperken, bij den aanvang, öf zoo wij Jezus met voor het orgaan dier werkzaamheid kunnen beschouwen, en in hem niet zien het „woord dat bij God was en God is en door hetwelk alle dingen geschapen zijn, zonder hetwelk geen ding

gemaakt is." .

Indien ik niet met een volkomen hart hem als zoodanig

kon belijden, zoude ik het niet wagen over dit verhaal voor de

"emeente het woord te voeren.

Ik buig mij onder dit wonder, het onverklaarbare, onbegrijpelijke, omdat ik mij buig voor Hem, die mij de grond is van al het wonderbare in hemel en op aarde, en wiens naam is, naar het profetisch woord: „Wonderlijk, Raad, Sterke God,

Vader der eeuwigheid, Vredevorst.'

Tot verklaring van het wonder als zoodanig hebben wij dus niets te zeggen. Maar wat is in zedelijken zin een wonder? Een wonder wordt ook in onzen tekst een teeken genoemd. Als zoodanig wordt het ons medegedeeld en als zoodanig willen wy het

beschouwen.

Het voorbijgaande is teeken van het blijvende, het tijdelij e teeken van het eeuwige. Wat daar op dat gebergte van het Overjordaansche geschied is, is teeken van hetgeen voortdurend geschiedt en gezien en ervaren wordt door hen die gelooven.

Jezus de schare spijzigende is ons het teeken van zijne blijvende hulp aan de schare, dat is aan de arme menschheid

verleend.

Wij letten:

op hetgeen hij eens deed;

op hetgeen hij voortdurend is.

Sluiten