Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoekt hij altijd zijn voordeel: maar die naar de Schrift rechtvaardig is, die „zich den ganschen dag ontfermt en leent," die de barmhartigheden Gods heeft in zijn eigen hart. Voorwaar, niet hij is rijk, die daar zegt tot zijne ziel: „Ziel, gij hebt vele goederen die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vroolijk', en die dan als de donderstem van Gods gerichten over hem komt, zooals zij komt over ieder mensch, daarin de stem moet hooren: „Gij dwaas, in dezen nacht zal men uwe ziel van u eischen; en hetgeen gij bereid hebt wiens zal het zijn?" Maar hij is rijk voor wien de ure des gerichts is de ure der verlossing, die wellicht een Lazarus was, levende van de kruimkens die daar vallen van de tafel des rijken, maar die de belofte heeft in zijn hart: „Ik zal uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met uw beeld als ik zal opwaken." (Ps. XVII: 15).

Ziet, dat leert ons het wonder der spijziging: het brood is er; de gave is er; al weten wij niet hoe zij komt; maar hij ontvangt den zegen in de gave, die eerst het brood des levens zoekt. Jezus, de scharen leerende en de scharen spijzigende, is ons het beeld van God die den mensch naar zijn beeld geschapen eerst het zijne geeft, het waarachtige dat eeuwig is; en dan, maar dan ook zeker, het vreemde, het tijdelijke, dat voorbijgaat.

Hoe geeft hij het? Jezus had de twaalven uitgezonden twee aan twee om het evangelie des koninkrijks te verkondigen in al de steden en vlekken van Galilea. De spijze des eeuwigen levens, zijn woord, deelt hij uit door zijne gezanten; toen en nu, te allen tijde. Hoe heerlijk is uw voorrecht, gij, wie gij ook zijt, die uit het hart tot het hart kunt spreken en woorden des eeuwigen levens kunt zaaien in de harten, tot leering, tot vermaning, tot bemoediging en vertroosting. Maar ook het brood waarmede hij de scharen spijzigde, reikt hij haar zelf niet uit, maar legt het in de handen der discipelen en dezen brengen het aan de scharen. Hoe heerlijk is uw voorrecht, gij met aardsche goederen gezegenden , die zooveel kunt doen tot leniging van allen nood, tot

Sluiten