Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij spreken van den tijd nu eens als van iets afgetrokkens en ledigs, dan weder als van iets zeer bepaalds en gevulds; nu eens als van een persoonlijk bezit waarop wij prijs stellen, dan weder als van een last waarvan wij ons willen ontdoen. „De tijd gaat voorbij," en: „de tijd, dien wij beleven." Wij stellen prijs op „onzen tijd" en zoeken „tijd te winnen;" en wederom: wij willen

„den tijd verdrijven."

Wij spreken van den tijd, zooals van vele dingen, als van

iets zeer bekends, en toch wij weten niet wat hij is.

Maar hoe komen wij aan het woord? Hoe weten wij dat wij in den tijd zijn en leven? Het is er mede, als met zoo vele dingen, die wij slechts door de tegenstelling verstaan, of liever door hun tegenbeeld kennen. Onze geest reageert tegen de dingen en benoemt ze naar den indruk dien zij op ons maken. Maar die indruk veronderstelt eene reageerende macht in ons.

Wij spreken van tijd, niet omdat wij den tijd kennen, maar omdat wij zijn tegenbeeld kennen, de eeuwigheid. De eeuwigheid is in ons hart en daarom spreken wij van tijd.

,God heeft de eeuwigheid in ons hart gelegd. Haar" kennen wij onmiddellijk door vrees of door hoop; haar zoeken wij gestadig buiten ons, omdat zij in ons is; haar willen wij ook wel ontvluchten in den tijd, maar wij kunnen niet; zij

houdt ons vast, daar is geen ontkomen aan.

Omdat zij in ons hart is zijn wij onrustig in de dingen die voorbijgaan; wij jagen naar de dingen die blijven; wij zoeken de rust, wij zoeken de eeuwigheid, juist omdat wij geen vrede hebben

met den tijd.

Toch heeft God ieder ding schoon gemaakt 111

zijnen tijd; zegt onze wijze Prediker.

Ja, indien wij dat konden inzien, wij zouden grooten vieae

hebben, ook in den tijd.

Maar is liet mogelijk?

Sluiten