Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn katalogus zelf heeft willen uitdrukken, dat dezelfde willekeur en ordeloosheid, waarin de gedachten in zijnen geest elkander opvolgen, ook in de dingen zelve die hij opsomt, bestaat.

Toch zal alles goed zijn te zijner tijd. „God heeft ieder ding schoon gemaakt op zijnen tijd.''

Is dat geene ironie?

Maar — zou men kunnen vragen — waarin ligt de ironie? Kan van het probleem, dat onze navorscher stelt (vs. 9). „Wat voordeel heeft hij die werkt, van hetgeen hij bearbeidt?" de toereikende oplossing niet liggen in hetgeen onmiddellijk daarna wordt uitgedrukt (vs. 10): „Ik heb gezien de bezigheid die God den kinderen der menschen gegeven heeft om zich zeiven daarmede te bekommeren," wat tot inleiding moet dienen op hetgeen verder als levenswijsheid zal worden aanbevolen (vs. 12—14)? De oplossing zal dan hierin bestaan, dat juist die kommer goed is. Die weemoed zelf, die daar opgewekt wordt door de ervaring van het wisselvallige der wereld, door die eentoonige beweging van het raderwerk van den tijd, die weemoed zelf zal mede behooren tot de dingen die goed en schoon zijn op hunnen tijd. Het raderwerk werpt af, neemt op, verbrijzelt, dat is zijn taak, en het leven is de beweging van dit raderwerk. Illusiën der jeugd, teleurstellingen van den mannelijken leeftijd, weemoedsvolle herinneringen van den ouderdom, dit alles behoort immers tot de wereldorde. Het is schoon op zijnen tijd. Dat is de bestemming des menschen. Hij is geschapen om te lijden. „De mensch, van eene vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust (Job. XIV: 1). Moet men ook niet van dit lijden zeggen: „God heeft alle dingen schoon gemaakt op hunnen tijd?"

Daar is eene wijsheid, die alzoo spreekt. Heden ten dage, zoo al niet meer althans niet minder dan vroeger. Maar deze wijsheid, is zij menschelijk? Verloochent zij niet juist datgene wat ons tot menschen maakt, de reden van onzen kommer en van ons verdriet, van onzen honger en dorst? Wordt zij niet gelogen-

Sluiten