Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trekking kunnen maken, dat die schriftgeleerde Jezus reeds sedert eenigen tijd als vaste toehoorder volgde. Door het zien van zijn wonderen en door de schoonheid van zijn leer voor Hem gewonnen, wenschte hij zich thans voor goed bij Hem aan te sluiten; maar hij had niet bedacht, hoe zwak zijn eigene kracht was, in vergelijking met de taak, waaraan hij zich wilde wijden. Jezus kende hem beter, dan hij zichzelf (Joh. 2:24 en 25). De uitdrukking: „waar gij ook heengaal" trof Hem; want Hij weet wel, waar Hij heengaat, en wat het einde van deze reis zal zijn! Een oogenblikkelijke geestdrift is niet genoeg, om Hem tot daarheen te kunnen volgen, maar daartoe is noodig de dood van het eigen ik, de overgave van het eigen leven, waarvan Jezus in 9:23 gesproken heeft. „Zijt gij besloten, de kosten, die er noodig zijn, om den toren te bouwen (14:28), zelfs zóóver te drijven? Sta stil en bedenk u nog!" — De zoon des menschen, de normale vertegenwoordiger der menschheid, de ware koning der schepping, heeft, ten gevolge van den ellendigen toestand, waarin de zonde ons gebracht heeft, een minder benijdenswaardig lot, dan zelfs de dieren, waarvan sommigen in de lucht, en anderen onder de aarde een woning hebben. Renan maakt uit dit antwoord op, „dat het zwervend leven van Jezus, dat in het eerst vol bekoring was, Hem begon te drukken." Doch dit geschiedt ten onrechte. Want er is niets moedigers, niets mannelijkers dan deze verklaring, waarmede Hij dezen mensch op de proef stelt. — Het komt mij veel minder natuurlijk voor, zulk een onderhoud in den tijd van een uitstapje van eenige uren te plaatsen, dan in dien, waarop Jezus de streek voor voor goed verliet.

Vs. 59 en 60. „En Hij zeide tot een anderen: Volg mij! Doch deze zeide: Heer ')! laat mij toe, eerst heen te gaan en mijn vader te begraven.

1) B D V lateu xvpie weg.

Sluiten