Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedragslijn die zij volgen moeten, waar zij afgewezen worden: Vs. 5—9.

Vs. 5—7. „En in welk huis gij ook ingaat1), zegt eerst: Vrede zij dit huis! 6. En indien2) daar een 3) kind des vredes is, zoo zal uw vrede op hem rusten 4); maar indien niet, zoo zal hij tot u wederkeeren. 7. Blijft in dat huis, etende en drinkende van hetgeen bij hen is; want de arbeider is zijn loon waardig; gaat niet over van het eene huis naar het andere."

Eerst is er enkel sprake van een huis. De praep. esrépXWÓe der Byz. Mss. drukt beter dan de aor. der Alexandr. de gelijktijdigheid van het ingaan en van den zegenwensch uit. De heerschende drang in het hart van den dienstknecht van Christus is het verlangen, den vrede, waarvan hij zelf (zijn vrede, vs. 6) vervuld is, mede te deelen. — Als het artikel ó van den T. R. en van den Sinaïticus vóór u'ióg (het kind des vredes) echt was, zou het dezen persoon als het voorwerp van een bijzonder goddelijk raadsbesluit („hij, die zich daar bevinden moet") aanduiden; dit denkbeeld is weinig natuurlijk. — De uitdrukking: kind des vredes is Hebreeuwsch. In dergelijke spreekwijzen wordt het afgetrokken begrip (hier dat des vredes) voorgesteld als een wezenlijke kracht, die leven verkrijgt in het individu. De twee oudste Mss. lezen sTxvx7rxfoeTxi, een regelmatig van den aor. iirxw afgeleid futurum. Als daar geen ziel aanwezig is, die geschikt is, de uitwerking van den Evangelischen

1) T. R. leest met A en 12 Mjj. Syrcu; N B en 5 Mjj. It.: eireAfyre,

2) T. R. leest, met eenige Mnn., (zev na exv.

3) T. R leest met N o voor vio

4) NB lezen erxvxtxviretxi, in plaats van e7rxvx7rxiktstxi.

Sluiten